Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Kolibries › Witnekkolibrie

Witnekkolibrie | Florisuga mellivora

White-necked Jacobin | Colibrí nuca blanca

De witnekkolibrie is een grote, forse kolibrie van de bossen van Trinidad en Tobago, en in het gebied de enige soort met een witte staart en een witte nekband. Mannetjes domineren vaak bloeiende bomen en voerflessen en verjagen daar andere kolibries. Een deel van de vrouwtjes draagt een kleed dat op dat van het mannetje lijkt, zodat niet elke vogel met mannetjeskleed een mannetje is.

Witnekkolibrie (Florisuga mellivora)
Foto: The Lilac Breasted Roller from Sullivan's Island, United States — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrij stil. De roep is een kort, hoog tsik; bij achtervolgingen klinkt een dalende reeks swie-swie-swie-swie. De zang is een lange reeks hoge, losse tonen in een traag tempo van ongeveer één per seconde.

Luister: ZangXC418923

Opname: Brice de la Croix — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, met een korte, rechte zwarte snavel. Het mannetje heeft een donkerblauwe kop en borst, een witte band over de achterhals, een glanzend groene rug en een witte buik. De staart is wit met smalle zwarte punten en wordt bij het opvliegen en zweven vaak gespreid, waardoor hij oplicht. Het vrouwtje is groen van boven; keel en borst zijn blauwgroen met witte schubben, de buik is wit en de staart groen met een blauwzwarte eindband. Onvolwassen vogels vertonen alle overgangen tussen vrouwtjes- en mannetjeskleed.

Verwarrings­soorten

Geen andere kolibrie in het gebied combineert een witte staart met een donkerblauwe kop. De zwartkeelmango Anthracothorax nigricollis is even groot, maar heeft een gebogen snavel, een zwarte middenstreep over keel en borst en een paarsrode staart. De witstaartsabelvleugel Campylopterus ensipennis van Tobago heeft eveneens veel wit in de staart, maar is groter, met een licht gebogen snavel, een blauwviolette keel en grijze onderdelen. Het vrouwtje valt op door de wit geschubde, blauwgroene keel en borst die scherp afsteken tegen de witte buik.

Leefgebied

Het kronendak en de randen van vochtig bos, hoog secundair bos, open plekken in het bos en cacao- en koffieplantages met schaduwbomen, van zeeniveau tot in de hogere delen van de heuvels. Komt aan bosranden ook in tuinen. Zuigt nectar in bloeiende bomen, vaak met meerdere vogels in één boom, en vangt veel kleine insecten in de vlucht, vaak hoog boven een open plek of een beek.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Algemene standvogel op Trinidad en Tobago, op beide eilanden vooral in de beboste heuvels. Op Aruba en Curaçao als dwaalgast vastgesteld. Daarbuiten van het zuiden van Mexico door Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika tot Peru, Bolivia en het Amazonegebied van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad een vaste gast bij de voerflessen van het Asa Wright Nature Centre in het Northern Range, waar mannetjes vaak de plek beheersen; op Tobago bij voerplaatsen en bloeiende bomen in en rond het bos van de Main Ridge. Een vliegend mannetje is van ver te herkennen aan de oplichtende witte staart.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en talrijk en verdraagt secundair bos en plantages; op Trinidad en Tobago is ze algemeen.

Wetenschappelijke naam

Florisuga mellivora | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Trochilus mellivorus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Florisuga werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte. Florisuga is Latijn, van flos, floris 'bloem' en sugere 'zuigen': 'bloemenzuiger'. mellivora is Latijn, van mel 'honing' en vorare 'verslinden': 'honingeter', naar het drinken van nectar. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname (oorspronkelijk abusievelijk 'India').