Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Zwaluwstaartwouw

Zwaluwstaartwouw | Elanoides forficatus

Swallow-tailed Kite | Elanio tijereta

De zwaluwstaartwouw is een zwart-witte wouw met een diep gevorkte staart die vrijwel de hele dag in de lucht doorbrengt; hij eet en drinkt zelfs in de vlucht. Er zijn twee populaties: de noordelijke broedt in het zuidoosten van de Verenigde Staten en trekt naar Zuid-Amerika, waarbij een deel van de vogels over het westen van Cuba trekt, en een zuidelijke die in Midden- en Zuid-Amerika leeft. In het Caribisch gebied is de soort vooral als doortrekker te zien.

Zwaluwstaartwouw (Elanoides forficatus)
Foto: Andy Morffew from Itchen Abbas, Hampshire, UK — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij het nest en in groepen een hoog, fluitend kliee-kliee-kliee of pie-pie-pie.

Luister: VluchtroepXC1132976

Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

50–68 cm, met lange, smalle vleugels en een zeer lange, diep gevorkte zwarte staart. Kop, hals en onderdelen zijn helderwit, de rug, bovenvleugels en staart glanzend blauwzwart. Van onderen contrasteren de witte ondervleugeldekveren met de zwarte slagpennen. Snavel en poten zijn donker. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer, met fijne donkere streepjes op kop en borst, smalle witte toppen aan de slagpennen en een kortere staart met een minder diepe vork.

Verwarrings­soorten

Weinig verwarring mogelijk. De Mississippiwouw Ictinia mississippiensis en op Trinidad de donkergrijze wouw Ictinia plumbea hebben eveneens spitse vleugels maar zijn grijs, met een recht afgesneden of licht ingekeepte staart. Fregatvogels zoals de Amerikaanse fregatvogel Fregata magnificens hebben ook een gevorkte staart, maar zijn veel groter, overwegend zwart en hebben geknikte vleugels.

Leefgebied

Trekkende vogels vliegen over vrijwel elk landschap en rusten in bos; in het broedgebied vochtig bos, moerasbos en bosranden langs rivieren. De vogel jaagt in zweefvlucht op grote insecten zoals libellen en sprinkhanen, en plukt hagedissen, boomkikkers en nestjongen uit de boomtoppen; insecten worden in de vlucht met de poten gevangen en opgegeten. Drinkt door laag over het water te scheren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Regelmatig doortrekker over Cuba, vooral in het westen, en over de Kaaimaneilanden, San Andrés en in kleiner aantal de Bahama's; op Trinidad in bosgebieden, vooral van februari tot augustus, op Tobago zelden. Verspreide meldingen van Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de ABC-eilanden en de Kleine Antillen gelden als dwaalgast. Buiten het gebied broedt de noordelijke populatie van South Carolina tot Florida en Texas; de zuidelijke populatie leeft van Mexico tot het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in het voorjaar en de nazomer in het westen van Cuba, vooral op het schiereiland Guanahacabibes en in de provincie Pinar del Río, waar de vogels op trek soms in groepen overkomen. Op Trinidad in de droge tijd boven de bossen van de Northern Range. Het silhouet met de lange gevorkte staart is ook op grote afstand herkenbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In de Verenigde Staten is het broedgebied in de twintigste eeuw sterk ingekrompen door het verdwijnen van moerasbos; plaatselijk is de soort daar wettelijk beschermd. In het Caribisch gebied is het belangrijkste risico het verlies van bos waarin trekkende vogels rusten.

Wetenschappelijke naam

Elanoides forficatus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco forficatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Elanoides werd in 1818 ingevoerd door Vieillot. Elanoides betekent 'lijkend op Elanus', van het Griekse elanos 'wouw' en -oidēs 'gelijkend op'. forficatus is Latijn voor 'schaarvormig', van forfex 'schaar', naar de diep gevorkte staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carolina, VS (naar Catesby).