Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Zwartbuikfluiteend

Zwartbuikfluiteend | Dendrocygna autumnalis

Black-bellied Whistling Duck | Suirirí piquirrojo

De zwartbuikfluiteend is de meest kleurrijke fluiteend van het gebied: kastanjebruin met een zwarte buik, een grijs gezicht en een felrode snavel. Op de ABC-eilanden, Trinidad en Barbados is hij algemeen, en in de laatste decennia heeft hij zich over een groot deel van West-Indië verspreid. Hij zit graag in bomen en op palen, en groepen vliegen 's avonds fluitend naar de voedselplaatsen.

Zwartbuikfluiteend (Dendrocygna autumnalis)
Foto: Judy Gallagher — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, fluitend pie-tsjie-tsjie-nie van vier of vijf tonen, vaak in de vlucht en ook 's nachts. Groepen laten een aanhoudend gefluit horen.

Luister: ZangXC982939

Opname: Peter Mundale — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

47–56 cm, hoog op de poten en met een lange hals. Kruin, achterhals, borst en rug zijn warm kastanjebruin, het gezicht en de bovenhals grijs met een smalle witte oogring. Buik, flanken en staart zijn zwart. De snavel is helder roodroze, de poten zijn roze. In de vlucht valt een brede witte band over de bovenvleugel op, scherp afgetekend tegen de zwarte slagpennen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een grijze snavel en een vaal, grijs gevlekte buik in plaats van een zwarte.

Verwarrings­soorten

Geen andere fluiteend in het gebied heeft een rode snavel en een witte vleugelband. De West-Indische fluiteend Dendrocygna arborea is groter, met een zwarte snavel, zwart gevlekte witte flanken en egaal donkere vleugels. De rosse fluiteend Dendrocygna bicolor is okerbruin met een donkere snavel en zonder wit in de vleugel. Jonge zwartbuikfluiteenden hebben een grijze snavel, maar tonen al de witte vleugelband.

Leefgebied

Zoetwatervijvers en -moerassen, waterzuiveringsvijvers, zoutpannen en lagunes met wat begroeiing, mangrove, rijstvelden en ander vochtig cultuurland. Foerageert vooral in de schemering en 's nachts op zaden, grassen en waterplanten, ook op akkers. Rust overdag op oevers, in bomen en op palen. Broedt in boomholten en nestkasten, soms op de grond in dichte begroeiing.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Talrijk op Aruba, Curaçao en Bonaire, op Trinidad en op Barbados. Op de Bahama's en de Kaaimaneilanden, op Puerto Rico, Cuba, Jamaica, Grenada en Guadeloupe inmiddels plaatselijk gevestigd of geregeld; elders in de Kleine Antillen en op de Maagdeneilanden onregelmatig. Op meerdere eilanden is de soort in de laatste decennia nieuw verschenen of toegenomen. Buiten het gebied van het zuiden van de Verenigde Staten via Mexico en Midden-Amerika tot het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Aruba, Curaçao en Bonaire bij zoetwaterplassen en waterzuiveringsvijvers, waar groepen overdag op de oevers rusten; op Trinidad en Barbados bij vijvers en moerassen. In de schemering trekken de groepen fluitend over.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gebied neemt de soort toe en breidt hij zich uit. Op een aantal eilanden wordt hij bejaagd; verlies van wetlands treft ook deze soort, al weet hij zich aan kunstmatige wateren aan te passen.

Wetenschappelijke naam

Dendrocygna autumnalis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas autumnalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocygna werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Dendrocygna komt van het Griekse dendron, 'boom', en het Latijnse cygnus, 'zwaan' — 'boomzwaan', omdat sommige fluiteenden in bomen rusten of broeden. autumnalis is Latijn voor 'herfstachtig', naar het oranje-, geel- en bruintinten van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Amerika (niet nader bepaald).