Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Zwartkapstormvogel

Zwartkapstormvogel | Pterodroma hasitata

Black-capped Petrel | Petrel antillano

De zwartkapstormvogel, in het Frans en Spaans diablotin genoemd, is de enige Pterodroma-soort die nog met zekerheid in het Caribisch gebied broedt. Hij nestelt in holen op steile berghellingen, die alleen 's nachts worden bezocht, en foerageert op open zee, vooral in de Golfstroom voor de kust van het zuidoosten van de Verenigde Staten. Met enkele duizenden vogels behoort hij tot de zeldzaamste zeevogels van de Atlantische Oceaan.

Zwartkapstormvogel (Pterodroma hasitata)
Foto: gotcritters — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Op zee meestal stil; bij voedselconcurrentie een reeks keffende, hondachtige geluiden. Boven de broedplaatsen 's nachts lang uitgerekte, krassende, kraaiachtige roepen, weergegeven als aaa-aw, iek, en een zachter, aanzwellend oooow-uk.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

35–40 cm. Middelgrote, krachtig gebouwde stormvogel met lange, in de pols geknikte vleugels en een korte, dikke, zwarte snavel. Bovenzijde donker grijsbruin met een zwartachtige kap, die bij lichte vogels afsteekt tegen een wit voorhoofd, een witte achterhals en een brede witte stuit. Onderdelen wit. De ondervleugel is wit, met een donkere achterrand en een donkere band die vanaf de pols schuin over de vleugel loopt. Bij de donkere vorm zijn kap en nek uitgebreider donker en is er minder wit op achterhals en stuit. Vliegt in hoge, zwaaiende bogen met weinig vleugelslagen.

Verwarrings­soorten

De grote pijlstormvogel Ardenna gravis heeft eveneens een donkere kap en een witte band op de stuit, maar is groter, met een slanke snavel, een donkere buikvlek, een smalle witte stuitband en een vlakkere vlucht. De Bermudastormvogel Pterodroma cahow, die uit het gebied niet gedocumenteerd is, heeft weinig of geen wit op achterhals en stuit. Lichte Arminjon-stormvogels Pterodroma arminjoniana hebben een donkere kop, borstband en stuit.

Leefgebied

Op zee boven diep water en langs de randen van warme stromingen, vooral de Golfstroom; in het gebied ook in de zeestraten rond Hispaniola. Eet inktvis, vis en kreeftachtigen, vooral in de schemering en 's nachts aan het oppervlak gevangen. Broedt in holen en rotsspleten op steile, beboste hellingen en kliffen hoog in de bergen, in pijnbos en vochtig bergbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Broedt op Hispaniola: in Haïti in het Massif de la Selle en het Massif de la Hotte, in de Dominicaanse Republiek in de Sierra de Bahoruco en in Valle Nuevo. Op Dominica werd broeden in 2015 bevestigd. Op Cuba is de soort zeer zeldzaam en wordt broeden vermoed. Op Guadeloupe en Martinique broedde ze vroeger, maar daar is ze verdwenen. Op zee is ze vooral rond Hispaniola en in de wateren tussen Hispaniola, Cuba en Jamaica te zien. Buiten het gebied foerageert ze vooral in de Golfstroom tussen Florida en North Carolina. De verspreidingskaart toont vooral waarnemingen op zee.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op zee het best op pelagische tochten rond Hispaniola. In de broedtijd zijn bij donker boven de broedhellingen in de Sierra de Bahoruco roepende vogels te horen. De broedplaatsen zijn kwetsbaar en worden het best met plaatselijke gidsen of beschermingsorganisaties bezocht.

Staat van instandhouding

Bedreigd (Endangered). De wereldpopulatie wordt op 2000–4000 vogels geschat. Ontbossing, branden en landbouw op de broedhellingen, vooral in Haïti, ingevoerde roofdieren, het vangen van vogels voor consumptie en lichtvervuiling hebben de soort sterk doen afnemen. Op zee vormen olie- en gaswinning in de Golfstroom een mogelijk risico.

Wetenschappelijke naam

Pterodroma hasitata | (Kuhl, 1820)

Kuhl beschreef de soort in 1820 als Procellaria hasitata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte. Pterodroma is Grieks, van pteron 'vleugel' en dromos 'loop, hardloper', naar de snelle, zwierende vlucht. hasitata is vermoedelijk een verschrijving van Latijn haesitata 'aarzelend', omdat Kuhl twijfelde aan de status van de soort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit onbekend (geen vindplaats opgegeven).