Alle soorten › Zangvogels › Muggenvangers › Zwartstaartmuggensluiper
Zwartstaartmuggensluiper | Ramphocaenus melanurus
Trilling Gnatwren | Soterillo picudo
De zwartstaartmuggensluiper is een kleine vogel van de ondergroei met een lange, dunne snavel en een kort, vaak opgewipt staartje. Hij hoort bij dezelfde familie als de muggenvangers. In het gebied komt hij alleen op Trinidad voor, met de eigen ondersoort trinitatis. De soort heette vroeger langsnavelmuggensluiper; na een opsplitsing op grond van genetisch onderzoek uit 2018 kreeg het overgebleven deel de naam trilling gnatwren.
Geluid
De zang is een droge, gelijkmatige triller op één toonhoogte, drrrrrrrrrr, die enkele seconden aanhoudt en waaraan de Engelse naam trilling gnatwren ontleend is. Daarnaast een zacht, droog gekwetter en korte tsjek-roepen.
Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm, waarvan een groot deel snavel: de snavel is recht, dun en ongeveer zo lang als de kop. Bovendelen grijsbruin, de zijkant van de kop warm roodbruin. Keel wit, de rest van de onderdelen bleek beige, op de flanken warmer. De korte staart is zwart, de buitenste pennen met witte toppen; de vogel houdt hem vaak schuin omhoog en zwaait er zijwaarts mee. De Trinidadse vogels zijn van onderen lichter, met beige flanken en kopzijden. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De zuidelijke huiswinterkoning Troglodytes musculus heeft een veel kortere snavel, een gebandeerde bruine staart en geen zwart in de staart. De roodborstwinterkoning Pheugopedius rutilus heeft een roodbruine borst, een zwart-wit gestreepte keel en kopzijde en een veel kortere snavel. De combinatie van de lange naaldsnavel en het zwarte, opgewipte staartje is kenmerkend.
Leefgebied
Dichte ondergroei, lianen en verwarde begroeiing in droog en vochtig bos, secundair bos en bosranden, van het laagland tot in het bergbos van de Northern Range. Zoekt in paren, vaak met gemengde groepen, naar insecten en spinnen tussen lianen en dicht blad, waarbij de lange snavel in krullen en kieren wordt gestoken. Het nest is een open kom, laag in de ondergroei.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen op Trinidad, waar de soort verspreid voorkomt in bosgebied; niet op Tobago. Buiten het gebied van het zuiden van Mexico via Midden-Amerika tot Peru en Brazilië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Langs bospaden in de Northern Range van Trinidad, bijvoorbeeld rond de Arima Valley, en in bosgebieden in het midden en zuiden. Het trillende lied is het beste aanknopingspunt; de vogel zelf blijft meestal verscholen in lianen en is pas met geduld te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en gaat alleen plaatselijk achteruit door het verdwijnen van bos.
Wetenschappelijke naam
Ramphocaenus melanurus | Vieillot, 1819
Vieillot beschreef de soort in 1819 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ramphocaenus voerde hij in datzelfde werk in. Ramphocaenus is Grieks, van rhamphos 'snavel' en kainos 'nieuw, vreemd': 'vreemde snavel', naar de lange, dunne snavel. melanurus is Grieks, van melas 'zwart' en oura 'staart', naar de zwartachtige staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Rio de Janeiro, Brazilië.



