Alle soorten › Valkachtigen

Valkachtigen | Falconiformes

Falcons | Halcones

Roofvogels met een haakvormige snavel, een washuid rond de neusgaten en grijpvoeten met scherpe, gekromde nagels, hetzelfde gereedschap als bij haviken en arenden. Toch staat deze orde in de indeling daar los van, naast de papegaaien en de zangvogels; die plaatsing berust op moleculaire gegevens en niet op het uiterlijk. Het zijn overdag of in de schemering jagende vleeseters met grote ogen in een naar verhouding grote kop. In Mexico en Midden-Amerika bestaat de orde uit één familie, die hier in al haar vormen voorkomt. De caracara's, zoals de kuifcaracara, lopen veel over de grond, eten aas en kleine dieren en bouwen zelf een takkennest. De lachvalk is gespecialiseerd in slangen en laat in de schemering luide, lachende duetten horen. De bosvalken (Micrastur) jagen met korte vleugels en een lange staart vanuit een hinderlaag in dicht bos. De echte valken, zoals de vleermuisvalk, die in de schemering vleermuizen en vogels vangt, bouwen geen nest; bij hen is het vrouwtje duidelijk groter dan het mannetje. Naast standvogels overwinteren hier ook trekkers uit het noorden, zoals smelleken en slechtvalken, en de Amerikaanse torenvalk komt zowel als standvogel als als wintergast voor.

Families in deze orde

  • Valken en caracara's | Falconidae14 soortenOp de snijrand van de bovensnavel zit een scherpe tand die in een uitsparing van de ondersnavel valt: valken doden hun prooi met een beet in de nek, en niet, zoals haviken, met de kracht van de voet. De vleugel is lang en spits en de slag stijf en roeiend; in het neusgat zit een klein benig knobbeltje, dat de luchtstroom bij snelle duikvluchten breekt. De kleinste soort van de familie is ter grootte van een mus en jaagt vanaf een lage uitkijkpost op hagedissen en insecten; de grootste pakken duiven en francolijnen in de lucht. Ze maken geen nest, maar leggen op een rotsrichel, in een boomholte, op een gebouw of in een verlaten nest van kraaien, roofvogels of hamerkoppen; de dwergvalk legt in een van de kamers van de metersgrote gemeenschappelijke nesthoop van de republikeinwever. De eieren zijn roomkleurig en dicht bedekt met roodbruine vlekken, wat ze onderscheidt van de witte of blauwige eieren van de andere dagroofvogels; het legsel telt meestal twee tot vijf eieren, en het vrouwtje bebroedt ze grotendeels terwijl het mannetje het voedsel aandraagt. Enkele soorten zijn buiten de broedtijd in grote aantallen aanwezig en slapen dan gezamenlijk in bomen van dorpen en steden, met honderden tot vele duizenden vogels op één slaapplaats.