Alle soorten › Kraanvogelachtigen
Kraanvogelachtigen | Gruiformes
Cranes, rails and allies | Grullas y rálidos
Kraanvogels, rallen en vinpootkoeten lijken uiterlijk weinig op elkaar; ze worden vooral op moleculaire gegevens en op kenmerken van het skelet samengenomen. Wat ze delen is een bestaan op de bodem van moerassen, rietkragen, seizoenspannen en natte graslanden: lange poten met lange, ongewebde tenen die het gewicht verdelen over zachte modder en drijvende planten, een klein en hoog ingeplant achterteentje, brede ronde vleugels en een korte staart, zodat de poten in de vlucht voorbij het staarteinde steken. Veel soorten ruien de slagpennen in één keer en kunnen dan enkele weken niet vliegen. Het nest ligt op de grond of op een platform in de vegetatie; de jongen komen ziend en in donsjas uit het ei, verlaten het nest binnen enkele dagen en worden de eerste tijd nog door beide ouders gevoerd. In het halfdroge binnenland zijn verschillende soorten aan de regens gebonden: ze verschijnen binnen enkele weken op pannen en vleien die het grootste deel van het jaar droogliggen, en verdwijnen weer zodra die opdrogen.
Families in deze orde
- Koerlan | Aramidae1 soortEen familie met één soort, de koerlan, die in Mexico vooral langs de Golfkust en op het schiereiland Yucatán voorkomt en verder verspreid door Midden-Amerika, in zoetwatermoerassen, overstroomde bossen, rivieroevers en mangroven. Het is een grote, langpotige vogel die in bouw tussen kraanvogels en rallen in staat, donkerbruin met witte strepen op kop, hals en mantel. De lange, licht gebogen snavel is zijdelings afgeplat, en bij de punt sluiten de snavelhelften niet helemaal en is de onderste iets gedraaid; daarmee haalt de vogel appelslakken uit hun huisje zonder het te breken. Die slakken vormen het hoofdvoedsel, aangevuld met zoetwatermossels, kreeftjes, wormen en insecten. Hij loopt met een wat hinkende gang door ondiep water en vliegt met trage, schokkerige vleugelslagen en hangende poten. De stem is een luide, klagende, herhaalde schreeuw die vooral in de schemering en 's nachts ver over het moeras klinkt. Het nest is een platform van plantenmateriaal in dichte vegetatie, net boven het water of in een struik, met meestal vier tot zeven gevlekte eieren; de jongen verlaten het nest kort na het uitkomen.
- Kraanvogels | Gruidae1 soortGrote vogels met lange hals en lange poten die, anders dan reigers, met gestrekte hals vliegen; de verlengde binnenste armpennen hangen als een pluim over de staart en zijn bij sommige soorten tot slepende, haarfijne veren uitgegroeid. Bij de soorten van het geslacht Grus is de luchtpijp verlengd en in het borstbeen opgerold, wat de ver dragende trompettoon verklaart die een paar vaak in duet uitbrengt; de kroonkraanvogels missen die lus en laten in plaats daarvan een blazende, toeterende roep horen, versterkt door een rode keelzak. De snavel is recht en middellang: ze foerageren lopend over grasland, vlei, akker en ondergelopen vlakte, graven knollen en wortels op en pikken daarnaast zaad, insecten en kleine gewervelden. De achterteen is bij de meeste soorten klein en hoog ingeplant, zodat ze niet in bomen kunnen zitten; alleen de kroonkraanvogels hebben een lange, laag geplaatste achterteen en overnachten in boomtoppen. Het legsel bestaat uit één tot drie eieren op een hoop plantaardig materiaal in of naast ondiep water, en het jong blijft de eerste maanden bij de ouders.
- Futenkoeten | Heliornithidae1 soortEen kleine familie van drie soorten, elk in een ander werelddeel: de Afrikaanse futenkoet (Podica), de Aziatische maskerfutenkoet en de Amerikaanse zonnefuut. In Mexico en Midden-Amerika is alleen de zonnefuut te zien, van het zuiden van Mexico tot Panama. Futenkoeten lijken op een kruising van fuut en aalscholver, met een langgerekt lichaam, een lange, dunne hals en een puntige, rechte snavel, maar ze horen bij de kraanvogelachtigen. De zonnefuut is de kleinste van de drie, met een zwart-witte kopstreping. De tenen dragen brede lobben in plaats van zwemvliezen en zijn, net als de poten, opvallend zwart en geel gebandeerd. Het is een schuwe vogel van rustige, beschaduwde rivieren, beken, lagunes en mangroven met overhangende oevervegetatie. Hij zwemt laag in het water, met knikkende kop, dicht langs de oever, en duikt bij onraad weg onder de begroeiing of vliegt laag over het water weg. Hij eet waterinsecten, kreeftjes, kikkers en kleine vis, die hij van het wateroppervlak, van takken of op de oever pakt. Het nest is een platform van takjes en riet op een tak boven het water. Bij de zonnefuut draagt het mannetje de jongen kort na het uitkomen in huidplooien onder de vleugels mee.
- Rallen | Rallidae22 soortenHet lichaam is zijdelings afgeplat, zodat de vogel zich tussen dicht riet en zeggen door kan wringen; de tenen zijn opvallend lang, bij de zwemmende soorten met gelobde zwemvliezen. De vleugels zijn kort en rond: over korte afstand vliegen ze fladderend en met bungelende poten, al trekken veel soorten 's nachts over grote afstanden. De korte staart wordt bij het lopen omhoog gewipt, waarbij de vaak lichte onderstaart opvalt, en de snavel loopt van kort en kegelvormig tot lang en dun, naar het voedsel dat gezocht wordt. Het nest is een kom van stengels en bladeren, verborgen boven ondiep water; de legsels zijn groot en de zwarte donsjongen volgen de ouders binnen een dag en worden snavel aan snavel gevoerd.