Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Amazonedwergral

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Amazonedwergral | Laterallus exilis

Grey-breasted Crake | Polluela pechigrís

De amazonedwergral is een kleine, grijs-bruine ral met een kastanjebruine nek, die in het gidsgebied verspreid en plaatselijk voorkomt van het zuiden van Mexico tot Panama. Zoals de meeste dwergrallen blijft hij bijna altijd in dichte, natte vegetatie verborgen en wordt hij veel vaker gehoord dan gezien. Het verspreidingsgebied bestaat uit een reeks gescheiden deelgebieden.

Amazonedwergral (Laterallus exilis)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks van twee tot tien heldere, metalige tink-tonen, vaak iets dalend in toonhoogte; daarnaast een dalende, muzikale ratel en een zacht, scherp tsjek. Roept zowel overdag als 's nachts.

Luister: ZangXC1179019

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm, klein en kortstaartig. Kop, halszijden en borst zijn licht grijs, de keel wit, en de nek is opvallend kastanjebruin. De overige bovendelen zijn olijfbruin. De flanken, buik en onderstaart zijn zwart-wit gebandeerd. De snavel is kort en groenig, met een donkerder bovensnavel, het oog rood en de poten geelbruin. Mannetje en vrouwtje lijken op elkaar. Jonge vogels zijn doffer en grijzer, met minder kastanjebruin in de nek en een donker oog.

Verwarrings­soorten

De witkeeldwergral Laterallus albigularis heeft een roodbruine in plaats van grijze kop en borst. De rosse dwergral Laterallus ruber is egaal roodbruin met een donkergrijze kop en mist de bandering. Het geelbuikporseleinhoen Laterallus flaviventer is kleiner, met een okergeel gezicht, een donkere oogstreep, een witte wenkbrauwstreep en gele poten. De zwarte dwergral Laterallus jamaicensis is donker leigrijs met witte spikkels op de rug.

Leefgebied

Natte graslanden en ondiep staand water met dichte grassen en biezen: randen van moerassen, rivieren en meren, rijstvelden en natte weilanden; ook op drogere plekken met hoog gras, zoals ruige weilanden en grazige terreinen langs vliegvelden. In het gidsgebied van zeeniveau tot ongeveer 1200 m. Eet insecten, spinnen en zaden. Het nest is een bolvormig bouwsel van gras met een zij-ingang, laag in dichte vegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In Mexico zeldzaam en zeer plaatselijk, vooral in het zuiden van Veracruz en verder in Tabasco en Chiapas. Verder plaatselijk in Belize, vooral in Toledo en Cayo, in Petén, Izabal en Alta Verapaz in Guatemala, in het noorden van Honduras rond het meer van Yojoa en in het laagland van Cortés, in het Caribische laagland van Nicaragua, en verspreid in Costa Rica en Panama, aan beide zijden van de bergen. Buiten het gidsgebied in een reeks gescheiden deelgebieden in het noorden en midden van Zuid-Amerika, tot in Bolivia, Paraguay en Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De soort is vrijwel alleen op geluid op te sporen: de reeks heldere tink-tonen verraadt waar de vogel zit. Natte, grazige randen van moerassen en rijstvelden zijn het meest kansrijk, vooral in de vroege ochtend. Een vogel die de rand van een sloot of pad oversteekt, is vaak het enige wat te zien is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de soort heeft een groot areaal en past zich goed aan door de mens veranderde natte graslanden aan. Door de verborgen leefwijze en de verspreide vindplaatsen is de werkelijke verspreiding in het gidsgebied waarschijnlijk groter dan bekend.

Wetenschappelijke naam

Laterallus exilis | (Temminck, 1831)

Temminck beschreef de soort in 1831 als Rallus exilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Laterallus werd in 1855 ingevoerd door Gray. Laterallus is een samentrekking van Rallus lateralis, een oud synoniem van de roodflankral; Latijn lateralis 'van de zijkant' slaat op de gekleurde flanken. exilis is Latijn voor 'klein, tenger', naar het geringe formaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana (later aangewezen).