Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Amerikaanse boslijster

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Amerikaanse boslijster | Hylocichla mustelina

Wood Thrush | Zorzal maculado

De Amerikaanse boslijster is een stevige, bruine lijster met grote zwarte vlekken op een witte onderzijde. Hij broedt in loofbossen in het oosten van Noord-Amerika en overwintert in de onderlaag van vochtig bos van het zuiden van Mexico tot Panama. In het gidsgebied is hij een wintergast en doortrekker.

Amerikaanse boslijster (Hylocichla mustelina)
Foto: Mike's Birds from Riverside, CA, US — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het gidsgebied meestal stil. De alarmroep is een snel, droog pit-pit-pit; daarnaast een zacht poek. Trekkende vogels laten 's nachts een zoemend hie horen. De fluitende, meerdelige zang, als ie-o-lee met een trillende slottoon, klinkt vooral in het broedgebied, soms ook in het voorjaar op de trek.

Luister: ZangXC1185237

Opname: Jacob Saucier — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–21 cm. Groot en rond gebouwd, met een vrij korte staart. Kruin en nek warm roestbruin, rug, vleugels en staart koeler olijfbruin. Duidelijke witte oogring; wangen fijn zwart-wit gestreept. Onderdelen wit met grote, ronde, zwarte vlekken op borst, flanken en buik. Poten roze. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De heremietlijster Catharus guttatus is kleiner, heeft een rossige staart die afsteekt tegen een bruinere rug en kleinere, minder scherpe vlekken die vooral op de borst staan. De dwerglijster Catharus ustulatus en de veery Catharus fuscescens zijn kleiner en slanker, met vage, kleine borstvlekken en een witte buik zonder vlekken. De grijswangdwerglijster Catharus minimus heeft grijze wangen en een grijsbruine kop zonder roestbruine tint.

Leefgebied

In de winter de schaduwrijke onderlaag van vochtig laagland- en voetheuvelbos, meestal beneden 1200 m, ook oud secundair bos, bosranden met dichte ondergroei en schaduwkoffie. Op de trek ook in droger bos en in parken. Zoekt op de grond tussen het bladafval naar insecten en andere ongewervelden; eet daarnaast vruchten. Overwinterende vogels houden een eigen territorium aan.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten van de Verenigde Staten en het uiterste zuidoosten van Canada. Overwintert van het zuiden van Mexico (zuiden van Veracruz, Oaxaca, Chiapas en het schiereiland Yucatán) door Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua tot Costa Rica en Panama, vooral aan de Caribische kant. Trekt in het voor- en najaar door het oosten van Mexico.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter geregeld te zien in de onderlaag bij La Selva in Costa Rica, in Tikal in Guatemala en langs de Camino del Oleoducto (Pipeline Road) in Panama. Wordt vaak eerst opgemerkt aan het droge pit-pit-pit vanuit de ondergroei.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Het broedbestand is sinds de jaren zestig sterk afgenomen. Versnippering van broedbossen in Noord-Amerika en verlies van laaglandbos in het overwinteringsgebied zijn de belangrijkste knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Hylocichla mustelina | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als T[urdus] mustelinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hylocichla werd in 1864 ingevoerd door Baird. Hylocichla is Grieks, van hulē 'bos' en kikhlē 'lijster': 'boslijster'. mustelina is Latijn voor 'wezelachtig', van mustela 'wezel', naar de warme, roodbruine bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York, VS.