Alle soorten › Zangvogels
Zangvogels | Passeriformes
Passerines | Paseriformes
Je herkent deze vogels aan de voet: drie tenen naar voren, één krachtige achterteen op dezelfde hoogte, met een pees die zich vanzelf strak trekt zodra het been buigt, zodat een slapende vogel op zijn tak blijft zitten. De orde valt uiteen in twee grote groepen. Bij de zangvogels in engere zin is de stemkop ingewikkeld gebouwd, met meerdere paren spieren, en wordt de zang grotendeels aangeleerd; bij de schreeuwvogels, zoals tirannen, mierkruipers, ovenvogels, manakins en cotinga's, is hij eenvoudiger en ligt de zang grotendeels vast. Die tweede groep heeft zich vooral in de Amerikaanse tropen ontwikkeld en is in de bossen van Mexico en Midden-Amerika rijk vertegenwoordigd. Het zijn vrijwel allemaal kleine vogels die een nest bouwen en daarin naakte, blinde jongen grootbrengen. Bij veel winterkoningen en mierkruipers zingen man en vrouw in strak op elkaar aansluitende duetten, en koevogels leggen hun eieren in de nesten van andere soorten. In de winter komen er grote aantallen zangers, vireo's en andere trekvogels uit het noorden bij. Ongeveer de helft van alle vogelsoorten van het gebied staat in deze orde, verdeeld over negenenveertig families, waaronder enkele die vrijwel alleen hier voorkomen, zoals de zijdevliegenvangers en de zeledonia.
Families in deze orde
- Sapayoa's | Sapayoidae1 soortEen familie met één soort, de sapayoa, die in het gebied alleen in het oosten van Panama voorkomt, in de ondergroei van vochtig laaglandbos, vaak langs beekjes en in schaduwrijke ravijnen. Lang werd de vogel tot de manakins gerekend, maar hij blijkt het enige Amerikaanse familielid te zijn van een groep die verder alleen in de Oude Wereld leeft, met de breedbekken van Afrika en Azië en de asity's van Madagaskar; hij geldt daarom als een levend overblijfsel van een oude verspreiding. Uiterlijk is hij onopvallend: een middelgrote, olijfgroene zangvogel met een iets gelere buik, een vrij brede, platte snavel en, bij het mannetje, een verborgen gele kruinvlek. Hij zit rustig en rechtop op lage takken en vliegt kort uit om insecten en spinnen van bladeren te pikken, en eet ook kleine vruchten. Vaak beweegt hij mee met gemengde groepen in de ondergroei. De stem is onopvallend en weinig bekend. Het nest is een peervormige, hangende constructie van plantenvezels boven een beek, zoals ook breedbekken die bouwen.
- Manakins | Pipridae11 soortenIn Mexico en Midden-Amerika leven elf soorten in zeven geslachten, vooral in vochtig laagland- en heuvelbos van Zuid-Mexico tot Panama, met de Langstaartmanakin ook in droger bos aan de Pacifische kant. Manakins zijn kleine, compacte zangvogels met een grote kop, een korte, brede snavel en meestal een korte staart. De seksen verschillen sterk: de mannetjes zijn zwart of groen met felrode, gele, witte of blauwe delen, de vrouwtjes onopvallend olijfgroen. Ze eten vooral kleine vruchten, die ze in een korte vlucht van de tak plukken, en daarnaast insecten. Bekend zijn ze om de balts op vaste plekken in het bos, waar mannetjes in een groepje of alleen een vast stukje bodem of tak schoonhouden en zich vertonen: sommige soorten maken met omgebouwde vleugelveren knallende of zoemende geluiden, andere springen heen en weer of voeren met twee mannetjes samen een dans op. Het vrouwtje kiest een partner en doet de rest alleen: ze bouwt een ondiep, hangend kommetje in een horizontale vork van een twijg, meestal laag boven de grond, broedt de doorgaans twee gevlekte eieren uit en voert de jongen. Het mannetje speelt daarna geen rol meer.
- Cotinga's | Cotingidae10 soortenIn Mexico en Midden-Amerika telt de familie tien soorten in zes geslachten, en zelden toont één familie zoveel verschillende vormen: de turquoise en paarsblauwe cotinga's en de spierwitte sneeuwcotinga in de boomkruinen van het laaglandbos, een klokvogel met drie lellen aan de snavel en een parasolvogel met een kale, rode keel in de bergbossen van Costa Rica en Panama, een vruchtenkraai met een purperen keel en de effen roodbruine piha. Ze zijn vrijwel allemaal vruchteneters met een korte, brede snavel en een wijde bek, waarmee ze vruchten in zijn geheel inslikken; zo verspreiden ze zaden van onder meer laurierachtigen over grote afstand. Veel soorten trekken met de seizoenen tussen bergen en laagland op zoek naar rijpe vruchten. Bij de meeste soorten verschillen de geslachten sterk: het mannetje is kleurig of draagt lellen, een keelzak of een kuif, en lokt de vrouwtjes met een opvallende roep of vertoning, terwijl het vrouwtje alleen het nest bouwt en de jongen grootbrengt. De klokvogel laat een metalige, kilometers ver hoorbare roep klinken en de piha een luide fluittoon. Het nest is meestal een klein, dun schaaltje hoog in een boom, met een enkel ei.
- Bekardes en tityra's | Tityridae13 soortenEen familie van tropisch Amerikaanse schreeuwvogels die in de gids dertien soorten in vier geslachten telt, van Mexico tot Panama, in bos, bosranden, plantages en halfopen terrein met bomen. Het is een samengestelde groep van uiteenlopend uiterlijk. De tityra's zijn stevige, grootkoppige vogels, bij het mannetje parelwit of lichtgrijs met zwart, sommige met een kale rode huid rond oog en snavelbasis; ze zitten opvallend in boomtoppen, eten vooral vruchten en grote insecten en laten droge, knorrende of kwakende roepen horen. Ze nestelen in een holte, vaak een oud spechtengat. De bekarden zijn kleiner, grootkoppig en vrij kortstaartig, met een brede snavel; de seksen verschillen meestal, met grijs en zwart bij het mannetje en kaneelbruin bij het vrouwtje. Ze zoeken insecten in het gebladerte en bouwen een groot, rommelig bolnest met een ingang aan de zijkant of onderkant, hangend aan een tak. De schiffornissen en de rouwtirannen zijn bruinige, onopvallende vogels van de ondergroei, eerder te horen dan te zien aan hun heldere, gefloten zang.
- Scherpsnavels | Oxyruncidae1 soortEen familie met één soort, de scherpsnavel, die verspreid en plaatselijk voorkomt in de kruinen van vochtig heuvel- en bergbos, in het gebied vooral in Costa Rica en Panama. Het is een vogel ter grootte van een spreeuw met een korte, rechte, spits toelopende kegelsnavel, waaraan hij zijn naam dankt. De bovendelen zijn olijfgroen, de kop en onderdelen geelachtig wit met dichte zwarte vlekjes en schubjes, en over de kruin loopt een verborgen oranjerode streep die alleen bij opwinding zichtbaar wordt; het oog is oranje. De scherpsnavel foerageert acrobatisch, vaak hangend aan twijgen of aan de onderkant van bladeren, en peutert met de snavel in opgerolde bladeren en mos naar insecten en hun eitjes; daarnaast eet hij vruchten. Buiten de broedtijd trekt hij vaak mee met gemengde groepen vogels door het kronendak. De zang is een lange, zoemende en dalende triller die verder draagt dan het onopvallende vogeltje doet vermoeden. Het nest is een klein, ondiep kommetje dat met spinrag op een tak hoog in een boom wordt vastgezet. De plaats in het systeem is lang onzeker geweest; het naast verwant lijkt hij aan de cotinga's en tityra's.
- Koningstirannen | Onychorhynchidae4 soortenDeze kleine familie werd lang bij de tirannen ingedeeld en is pas op grond van DNA-onderzoek afgesplitst. In Mexico en Midden-Amerika telt ze vier soorten in drie geslachten, alle van de onderste en middelste lagen van vochtig laaglandbos. De snavel is plat en breed, met lange borstels langs de mondhoeken, geschikt om vliegende insecten te vangen. De koningstiran heeft een kuif die meestal plat over de achterkop ligt, maar bij balts of opwinding opengaat tot een brede waaier, bij het mannetje rood en bij het vrouwtje geeloranje, met blauwzwarte toppen. De Myiobius-soorten zijn olijfkleurig met een felgele stuit; ze bewegen onrustig door het blad, spreiden de staart en laten de vleugels hangen, waarmee ze insecten opschrikken, en ze sluiten zich vaak aan bij gemengde groepen. Terenotriccus is een heel klein, kaneelbruin vogeltje dat vanaf een tak naar insecten uitvliegt. De nesten zijn opvallend: de koningstiran hangt een lang, rafelig nest, soms meer dan een meter lang, aan een tak boven een beek, en Myiobius bouwt een hangende buidel met een ingang aan de zijkant. Het legsel bestaat meestal uit twee eieren.
- Tirannen | Tyrannidae110 soortenDe grootste vogelfamilie van de Amerika's en ook in deze gids de grootste, met zo'n honderdtien soorten in een vijftigtal geslachten, van woestijnstruweel en savanne tot regenwoud en nevelwoud, en in steden en tuinen. Het zijn schreeuwvogels, waarvan de zang aangeboren is en niet wordt aangeleerd. De meeste hebben een vrij brede, platte snavel met borstels aan de mondhoeken en vangen insecten door vanaf een uitkijkpost uit te vallen en ze in de vlucht te grijpen of van een blad te pikken; veel soorten eten daarnaast vruchten, en de grote kiskadie neemt zelfs visjes en kikkers. De grootte loopt uiteen van de dwergtirannen, die tot de kleinste zangvogels ter wereld behoren, tot de forse koningstirannen, die grotere vogels fel uit hun territorium verjagen. Veel soorten zijn olijfgroen en grijs met vleugelstrepen en alleen aan stem en gedrag te herkennen, maar het mannetje van de rode tiran is vuurrood en de kiskadies zijn helder geel met een zwart-wit gestreepte kop. In de winter komen er veel trekkers uit Noord-Amerika bij, zoals Empidonax- en Contopus-soorten. De nesten zijn zeer gevarieerd: open kommen, overkoepelde bolnesten, lange hangende buidels en holten.
- Muggeneters | Conopophagidae1 soortDe muggeneters zijn een kleine, overwegend Zuid-Amerikaanse familie die in deze gids met één soort vertegenwoordigd is: Pittasoma michleri, in het Engels Black-crowned Antpitta, die in vochtig laaglandbos van oostelijk Costa Rica tot het oosten van Panama leeft. Die soort werd lang bij de mierpitta's ingedeeld, maar DNA-onderzoek plaatste het geslacht bij de muggeneters. Het zijn bodemvogels van de schemerige bosbodem, met lange, sterke poten, een korte staart, een grote kop en een stevige snavel. Deze soort heeft een glanzend zwarte kruin, een kastanjebruin gezicht en fijn zwart-wit geschubde onderdelen, een tekening die in het wisselende licht onder het bladerdak goed camoufleert. Ze bewegen zich met lange sprongen over de grond en zoeken tussen het blad naar insecten, spinnen en andere kleine dieren; soms volgen ze zwermen trekmieren om op te vluchten prooien te vangen. De stem is een reeks heldere fluittonen. Over het broeden van deze soort is weinig bekend; de familie bouwt in het algemeen een open kom laag in de vegetatie. Het is een schuwe, zelden geziene vogel.
- Mierklauwieren | Thamnophilidae30 soortenMet 30 soorten in 22 geslachten is dit een van de grotere zangvogelfamilies in de gids, met het zwaartepunt in het vochtige bos van Costa Rica en Panama en een kleiner aantal soorten dat tot in Mexico reikt. Het gaat om mierklauwieren met een zware, aan de punt gehaakte snavel, kleine, beweeglijke miersluipers in het bladerdek en miervogels van de ondergroei. De kleuren zijn sober: mannetjes zijn vaak zwart of grijs met witte vlekjes op de vleugel, vrouwtjes bruin of roestkleurig, en veel soorten hebben een verborgen witte vlek op de rug die bij opwinding zichtbaar wordt. Ze eten insecten en spinnen. Een aantal soorten volgt vrijwel uitsluitend zwermen trekmieren en vangt de insecten en andere kleine dieren die voor de mieren uit vluchten; de mieren zelf eten ze niet. Rond zo'n zwerm verzamelen zich soms tientallen vogels van verschillende soorten. Paren blijven jaren samen in een vast territorium, dat ze verdedigen met eenvoudige maar herkenbare zang, vaak in duet. Het nest is een open kommetje, vaak hangend in een horizontale vork, en beide ouders broeden de meestal twee eieren uit.
- Mierpitta's | Grallariidae4 soortenEen familie van schreeuwvogels met het zwaartepunt in de Andes, die in het gebied met vier soorten in vier geslachten vertegenwoordigd is, van het zuiden van Mexico tot Panama, op de bodem van vochtig laagland- en bergbos. Mierpitta's zijn bolronde vogels met een groot hoofd, grote donkere ogen, lange, sterke poten en een staart die zo kort is dat hij nauwelijks zichtbaar is. Het verenkleed is bruin, olijf en okerkleurig, bij sommige soorten met een geschubde of gestreepte borst. Ze staan rechtop op de bosbodem of op een lage tak en huppen met lange sprongen, wippen even met het lichaam en blijven dan weer roerloos staan. Al hoppend en in het bladafval wroetend zoeken ze regenwormen, insecten, larven en andere ongewervelden. Ze zijn schuw en worden veel vaker gehoord dan gezien: de zang is een reeks heldere, holle fluittonen, bij sommige soorten oplopend of dalend, en wordt vooral in de schemering van de ochtend gezongen. Het nest is een komvormig bouwsel van mos, bladeren en wortels, laag in een struik of op een stronk, met meestal twee eieren.
- Tapaculo's | Rhinocryptidae3 soortenDeze vooral Zuid-Amerikaanse familie is in het gebied vertegenwoordigd door drie soorten van het geslacht Scytalopus: één in het bergwoud van Costa Rica en het westen van Panama, twee in de bergen van oostelijk Panama tegen de Colombiaanse grens. Tapaculo's zijn kleine, ronde, donkergrijze of bruine vogels met een korte, vaak opgewipte staart, korte, afgeronde vleugels en sterke poten met grote voeten. Een kenmerk van de familie is een beweegbaar klepje over de neusgaten. Ze vliegen weinig en slecht en scharrelen als muizen door dichte ondergroei, varens, mos en omgevallen stammen, waar ze insecten en andere kleine ongewervelden zoeken. Doordat ze zich zelden laten zien en de soorten uiterlijk sterk op elkaar lijken, is de stem het belangrijkste kenmerk: luide, eindeloos herhaalde tonen of ratelende reeksen die uit het struikgewas opklinken. Verschillende soorten zijn pas in de laatste decennia op grond van hun zang onderscheiden. Het nest is een bol of kom van mos en worteltjes in een holte, een gat in een wal of tussen wortels, met meestal twee witte eieren.
- Mierlijsters | Formicariidae4 soortenIn de gids staan vier soorten van één geslacht, Formicarius, verspreid over vochtig laagland- en heuvelbos van het zuiden van Mexico tot Panama; de Maya-mierlijster is de noordelijkste. Het zijn bodemvogels die weinig op lijsters lijken, al suggereert de naam dat wel: de romp is rond, de poten zijn vrij lang en sterk, en het korte staartje wordt rechtop gehouden terwijl de vogel met afgemeten pasjes over de bosbodem loopt, wat hem iets van een kleine ral geeft. Het verenkleed is donkerbruin en roestkleurig, vaak met een zwart gezicht of een zwarte kop, en bij veel soorten loopt er een lichte ring om het oog. Ze zoeken insecten, spinnen en andere ongewervelden tussen het bladafval door blad om te keren of weg te pikken, en sluiten zich soms aan bij zwermen trekmieren. Ze zijn schuw en worden veel vaker gehoord dan gezien: de zang is een heldere, fluitende reeks tonen, bij sommige soorten snel en dalend, bij andere langgerekt, en ze reageren goed op een nagebootste fluittoon. Het nest ligt in een holte van een stronk of boom, vaak dicht bij de grond, en bevat meestal twee witte eieren.
- Ovenvogels en muisspechten | Furnariidae44 soortenEen grote familie van tropisch Amerikaanse schreeuwvogels, in de gids met vierenveertig soorten in vijfentwintig geslachten, van droog bos tot regenwoud en nevelwoud. De vogels zijn overwegend bruin, roodbruin en kaneel, vaak gestreept of gevlekt, en mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit. Ruwweg vallen ze in twee groepen uiteen. De muisspechten klimmen als spechten langs boomstammen, gesteund door een staart met stijve, kale schachtpunten, en zoeken met een rechte of sterk gebogen snavel in schorsspleten, mos en epifyten naar insecten en spinnen; sommige volgen zwermen trekmieren en vangen de dieren die daarvoor wegvluchten. De overige soorten, zoals bladkeerders, bladspeurders, xenopsen en stekelstaarten, zoeken hun voedsel door bladafval om te woelen, dode bladeren te doorzoeken of door het gebladerte te klauteren. De stem bestaat uit ratels, trillers en schelle reeksen. De nestwijze loopt sterk uiteen: muisspechten nestelen in boomholten op een laag schorssnippers, andere soorten graven gangen in aarden wallen, en stekelstaarten bouwen grote, gesloten takkennesten met een buisvormige ingang. De eieren zijn wit.
- Vireo's | Vireonidae30 soortenVireo's zijn kleine tot middelgrote zangvogels die alleen in Amerika voorkomen; in Mexico en Midden-Amerika telt de familie 30 soorten. De meeste zijn echte vireo's (Vireo): groenig of grijs boven, bleek onder, met een steviger snavel dan een zanger heeft en een klein haakje aan de punt, en met kop- en oogstreeptekening als belangrijkste kenmerk. Daarnaast leven hier de kleine, zangerachtige groenvireo's (Hylophilus, Pachysylvia, Tunchiornis), de felgroene klauwiervireo's (Vireolanius) van het hoge bladerdak en de peperklauwier (Cyclarhis) met zijn zware, sterk gehaakte snavel. Een deel van de soorten is standvogel; andere, zoals de witoogvireo en de roodoogvireo, komen uit het noorden om hier te overwinteren of door te trekken, en de geelgroene vireo broedt hier in de zomer en trekt daarna naar het zuiden. Ze bewegen traag en bedachtzaam door het bladerdak, waar ze rupsen en andere insecten van de bladeren plukken en buiten de broedtijd ook bessen en kleine vruchten eten. Het nest is een diep, kommetjesvormig bouwsel dat in een vertakking hangt. Ze zingen de hele dag door, ook in de middaghitte.
- Klauwieren | Laniidae1 soortEen haaksnavel met een tandje in de snijrand van de bovensnavel, waarmee de prooi in de nek wordt gedood: dit zijn zangvogels die als roofvogel jagen, maar met gewone zangvogelpoten die de prooi niet kunnen vasthouden. Daarom spietsen ze insecten, hagedissen en muizen op doorns of prikkeldraad, om ze vast te zetten en ze als voorraad te bewaren. Ze zitten stil en rechtop op een uitkijkpost boven open terrein met verspreide struiken, en vallen van daaruit omlaag; het zwarte oogmasker, de grote kop en de lange staart horen bij vrijwel iedere soort. Het nest is een stevige kom diep in een doornstruik.
- Kraaiachtigen | Corvidae27 soortenDe grootste en zwaarstgebouwde zangvogels, met een krachtige snavel voor alle werk, borstelveertjes over de neusgaten en stevige poten waarmee ze zowel lopen als huppen. Ze eten vrijwel alles, verstoppen voedsel voor later en onthouden waar het ligt; hun hersenen zijn naar verhouding de grootste van alle vogels, wat te zien is aan het gemak waarmee ze werktuigen, kadavers en menselijke gewoonten benutten. Een echte zang ontbreekt — de roep is hard en schor — maar veel soorten bootsen andere geluiden na. De partners blijven jaren bij elkaar, bouwen een omvangrijk takkennest en zien er onderling gelijk uit.
- Buidelmezen | Remizidae1 soortZeer kleine vogels met een fijne, spits toelopende kegelsnavel waarmee ze kleine insecten, spinnen en zaden uit riet, wilg en populier pikken. Het kenmerk van de familie is het nest: een hangende beurs van plantenpluis en spinrag, vast om afhangende twijgen gevilt, met een korte instaptuit opzij, zodat er van onderaf niets bij kan. Aan zo'n nest wordt vaak wekenlang gebouwd, maar het broeden komt in de regel neer op één ouder: de andere verlaat het nest en begint elders opnieuw. Het geluid is een dun, ijl fluitje dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.
- Mezen | Paridae5 soortenKleine, gedrongen vogels met een korte, sterke snavel en krachtige poten; ze foerageren acrobatisch aan de uiteinden van twijgen, ondersteboven hangend, en klemmen een zaad onder de voet om het open te hameren. Vrijwel alle soorten broeden in een holte en leggen daarin grote legsels — acht tot twaalf eieren is gewoon, meer dan bij de meeste zangvogels. Ze verstoppen voedsel in schorsspleten en mos en leven buiten de broedtijd in gemengde troepen die zich luidruchtig door het bos verplaatsen. De koptekening is bij elke soort scherp begrensd en vaste herkenningsgrond.
- Leeuweriken | Alaudidae1 soortGrondvogels in bruin en zandkleur met streping, gebouwd om te lopen en niet om te huppen: de achternagel is lang en vrijwel recht, en de achterkant van de loopbeen draagt een rij losse schubben in plaats van de gladde plaat die andere zangvogels daar hebben. Vrijwel alle soorten zingen in de lucht, klimmend of biddend, soms minutenlang achtereen boven een territorium zonder zangpost. Het nest is een kuiltje op kale grond, met gras bekleed; de jongen lopen weg voordat ze kunnen vliegen, wat het aantal verliezen bij een enkele maaibeurt beperkt. De snavel loopt uiteen van kort en zwaar voor zaad tot lang en gebogen om in de bodem te wroeten.
- Donacobiussen | Donacobiidae1 soortEen familie met één soort, de Zwartkapdonacobius, een Zuid-Amerikaanse vogel die in het gebied alleen in het oosten van Panama voorkomt, in moerassen, rietvelden, oevervegetatie en drijvende plantenmatten. Hij werd vroeger als spotlijster of winterkoning beschouwd, maar vormt een eigen familie die verwant is aan de Afrikaanse en Aziatische grasvogels en rietzangers. Het is een slanke vogel met een zwarte kop, een bruine rug, een warm bruingele buik, een lange, getrapte staart met witte punten en een fel geel oog. Aan de zijkant van de hals zit een stukje kale, oranjegele huid dat bij het zingen opzwelt. Paren zitten vaak naast elkaar boven in het riet en zingen in duet met luide, fluitende en raspende tonen, terwijl ze met de staart zwaaien en naar elkaar knikken. Ze eten insecten en andere kleine ongewervelden, die ze in de vegetatie bij het water bijeenzoeken. Vaak helpen jongen van een eerder legsel bij het grootbrengen van nieuwe broedsels. Het nest is een diepe kom van gras en plantenvezels in riet of struiken boven het water.
- Zwaluwen | Hirundinidae17 soortenVogels die hun voedsel uitsluitend in de lucht vangen, en daar helemaal op gebouwd zijn: lange spitse vleugels, een zeer korte platte snavel met een enorme mondspleet, en kleine zwakke pootjes met korte loopbenen, waarmee ze wel kunnen zitten maar nauwelijks lopen. Drinken en baden doen ze scherend over het water. Het nest is een kommetje of gesloten pot van modderpakketjes tegen een wand, een zelfgegraven gang in een steile oever, of een holte — vaak in kolonies bij elkaar. Het zijn trekvogels die zich in de nazomer boven riet en draden verzamelen; anders dan de gierzwaluwen, waar ze in de lucht op lijken, zijn het gewone zangvogels die op een draad gaan zitten.
- Staartmezen | Aegithalidae1 soortZeer kleine vogels met een piepklein stomp snaveltje en een staart die langer is dan het hele lichaam, waardoor ze eerder als een balletje met een steel dan als een vogel ogen. Het nest is een gesloten ovaal van mos en korstmos, samengebonden met spinrag en van binnen gevoerd met honderden tot meer dan duizend veertjes; de wand rekt mee terwijl de jongen groeien. Ze leven het hele jaar in familietroepen: vogels waarvan het broedsel is mislukt helpen elders mee voeren, en 's nachts slaapt de troep dicht tegen elkaar op een tak. Contact houden ze met dunne, aanhoudende ratelende roepjes waaraan je de groep al hoort voordat je hem ziet.
- Diksnavelmezen | Paradoxornithidae1 soortKleine, bolronde vogels met een zeer lange getrapte staart en een snavel die de familie haar naam geeft: kort, hoog, zijdelings samengedrukt en sterk gebogen, als die van een papegaai in het klein. Daarmee pellen ze harde zaden en splijten ze rietstengels en bamboe open om bij de insecten binnenin te komen. Krachtige poten klemmen zich om verticale stengels, zodat ze door riet, hoog gras, bamboe en struweel omhoog klauteren; de vlucht is kort en fladderend en de meeste soorten blijven hun leven lang in dezelfde hoek. Buiten de broedtijd trekken ze in kwetterende groepjes rond, en man en vrouw zien er gelijk uit. Het nest is een diepe kom, laag tussen de stengels geweven.
- Pestvogels | Bombycillidae1 soortGedrongen zangvogels met een opvallend zacht, dicht verenkleed zonder vlekken of strepen, een kuif, een zwart masker en een korte snavel met een wijde bek. De rode, hoornachtige plaatjes aan de toppen van de armpennen, waar de familie haar naam aan dankt, komen bij geen andere vogelgroep voor; de staart eindigt in een felle gele of rode band. Het grootste deel van het jaar leven ze van bessen, die heel worden doorgeslikt en in enkele minuten door een korte darm gaan, zodat een troep enorme hoeveelheden kan verwerken; in de broedtijd vangen ze insecten in de lucht boven water. Een voedselterritorium verdedigen ze niet en een echte zang hebben ze niet, alleen hoge, zilverige trillers waarmee de troep bij elkaar blijft. Het nest is een losse kom van takjes, mos en korstmos op een zijtak, en het broedgebied verschuift van jaar tot jaar met het bessenaanbod.
- Zijdevliegenvangers | Ptiliogonatidae4 soortenDeze kleine familie komt alleen in Noord- en Midden-Amerika voor; alle vier soorten in drie geslachten staan in de gids. De grijze zijdevliegenvanger leeft in de bergen van Mexico en Guatemala, de langstaartzijdevliegenvanger en de zwartgele Phainoptila zijn beperkt tot de hooglanden van Costa Rica en het westen van Panama, en de zwart glanzende Phainopepla bewoont droge struwelen en woestijnen in het noorden en midden van Mexico. De naam slaat op het zachte, gladde verenkleed, en de nauwste verwanten zijn de pestvogels. Ze zijn slank, vaak met een kuif en een vrij lange staart, en zitten graag rechtop op een uitstekende tak, vanwaar ze uitvliegen naar insecten. Toch leven ze een groot deel van het jaar van bessen, vooral van maretak: de vruchten passeren het darmkanaal snel en de zaden komen op takken terecht, zodat deze vogels belangrijke verspreiders van die halfparasieten zijn. Buiten de broedtijd trekken ze vaak in kleine, losse groepen rond. Het nest is een kommetje van plantenvezels en korstmossen in een boom, met twee of drie eieren, en bij de Phainopepla broedt ook het mannetje.
- Goudhaantjes | Regulidae2 soortenZeer kleine, bolronde vogels met een korte staart en een naaldfijn snaveltje, waarmee ze springstaarten, bladluizen en spinneneitjes tussen naalden en schorsspleten wegpikken, meestal hangend onder een takuiteinde en soms even biddend voor het blad. Kenmerkend is de kruin: een gele tot vuurrode streep die aan weerszijden zwart is omzoomd en die bij balts en dreiging wordt opgezet; de koptekening geeft bij elke soort de doorslag. De stem ligt uitzonderlijk hoog, rond de acht kilohertz, zo hoog dat oudere waarnemers de familie niet meer horen. Het nest is een diep, hangend kommetje van mos, korstmos en spinrag onder een naaldtak, van binnen met honderden veertjes gevoerd, met acht tot elf eieren — een groot legsel voor zo'n klein lichaam. In winternachten kruipen de vogels dicht tegen elkaar om warmte te sparen.
- Boomklevers | Sittidae3 soortenKleine, gedrongen vogels met een grote kop, een korte hals en een kort, recht afgesneden staartje, en met een lange, rechte, spitse snavel die als een beitel in schorsspleten wordt gezet. De poten zijn kort en zwaar en dragen lange, sterk gebogen nagels; daarmee klimmen ze net zo gemakkelijk met de kop naar beneden een stam af als omhoog, zonder de staart als steun te gebruiken. In Mexico en Midden-Amerika is de familie klein en beperkt tot Mexico: de witborstboomklever en de dwergboomklever leven in de dennen- en eikenbossen van de bergen, en de roodborstboomklever is een schaarse en onregelmatige wintergast in het noorden. Ze foerageren op stammen en takken, waar ze insecten en spinnen uit spleten peuteren, en eten ook zaden, die ze in een schorsspleet klemmen, met de snavel openhakken en in voorraad wegbergen. Alle soorten broeden in een boomholte; de roodborstboomklever smeert hars rond de ingang. De dwergboomklever leeft het hele jaar in groepjes, slaapt met vele vogels samen in één holte en krijgt bij het broeden vaak hulp van andere volwassen vogels. De stem bestaat uit eenvoudige, herhaalde, wat nasale tonen en snelle piepreeksen.
- Boomkruipers | Certhiidae1 soortKleine, bruin gespikkelde vogels die de stam van een boom als een muis beklimmen, altijd van beneden naar boven en in een losse spiraal om de stam heen; boven in de kruin laten ze los en vliegen naar de voet van de volgende boom om opnieuw te beginnen. De staart is stijf en spits, met sterke schachten, en wordt bij elke stap als derde steunpunt tegen de bast gezet, zodat de vogel schuin achterover tegen de stam hangt en nooit met de kop omlaag klimt. De snavel is dun, lang en gebogen als een pincet en gaat in schorsspleten op zoek naar spinnen, insecten, eitjes en poppen; de tenen zijn lang en de nagels sterk gebogen. Het nest is een kommetje van bast, mos en veertjes, weggewerkt achter een loshangende bastplaat. De stem ligt zeer hoog, zo hoog dat oudere waarnemers de vogel geregeld helemaal missen. In Mexico en Midden-Amerika leeft alleen de Amerikaanse boomkruiper, als standvogel in koele dennen- en eikenbossen en nevelwoud in de bergen, van het noorden van Mexico tot in Nicaragua; in het laagland ontbreekt hij.
- Muggenvangers | Polioptilidae10 soortenEen kleine Amerikaanse familie van zangvogels die in de gids tien soorten in drie geslachten telt, van woestijnstruweel en droog bos in Mexico tot vochtig regenwoud in Panama. Het zijn kleine, slanke, beweeglijke vogels met een dunne, spitse snavel. De muggenvangers zijn blauwgrijs van boven en wit van onder, met een lange, smalle zwarte staart met witte buitenpennen, die ze voortdurend opwippen, spreiden en heen en weer zwaaien; bij verscheidene soorten heeft het mannetje een zwarte kap of wenkbrauwstreep, vooral in het broedseizoen. De mugsluipers zijn bruiner, met een langere, zeer fijne snavel en een korte of juist lange, vaak opgestoken staart, en leven in de ondergroei en lianen van vochtig bos. Alle soorten zoeken rusteloos naar kleine insecten en spinnen in het gebladerte, de muggenvangers vaak in gemengde groepen. De stem bestaat uit ijle, nasale of piepende roepjes; de zang is een zacht gekwetter, en die van Ramphocaenus melanurus een heldere, gelijkmatige triller. Het nest van de muggenvangers is een diep, keurig kommetje van plantenvezels, met spinrag aan elkaar gehecht en vaak met korstmos bekleed, op een tak.
- Winterkoningen | Troglodytidae52 soortenKleine tot middelgrote, meest bruine vogels met korte ronde vleugels, een staart die vaak rechtop wordt gedragen en een fijne, licht gebogen snavel om insecten uit spleten te peuteren. Op één soort na leeft de hele familie in Amerika, en met 51 soorten in zestien geslachten behoren Mexico en Midden-Amerika tot de rijkste gebieden. Het formaat loopt uiteen van de kleine huiswinterkoning tot de grote cactuswinterkoningen (Campylorhynchus), die in familiegroepen leven. De meeste soorten bewegen zich verborgen door de onderste laag van bos, struweel en moeras; andere leven op rotsen en in kloven, zoals de rotswinterkoning en de kloofwinterkoning, of, zoals het geslacht Hylorchilus, alleen op kalkrotsen in het zuiden van Mexico. De zang is voor de lichaamsgrootte buitengewoon luid; bij veel tropische soorten zingen man en vrouw duetten die zo strak op elkaar aansluiten dat ze als één vogel klinken, en de nachtegaalwinterkoningen (Microcerculus) laten lange reeksen trage, zuivere fluittonen horen. Het nest is meestal een overdekte bol met de ingang opzij of ligt in een holte, en verschillende soorten bouwen daarnaast aparte slaapnesten.
- Spotlijsters | Mimidae17 soortenMiddelgrote, slanke zangvogels met een lange staart, stevige poten en een rechte tot sterk gebogen snavel, waarmee veel soorten op de grond in het bladstrooisel werken: blad omkeren, in de bodem hakken en onder struiken scharrelen. Aan het imiteren dankt de familie haar naam; veel soorten nemen de roepen en zangstrofen van hun buren over en vlechten er ook andere geluiden doorheen. De zang is lang en afwisselend, bij de spotlijsters met frasen die twee- of driemaal achtereen worden herhaald voordat de vogel aan de volgende begint. Ze verdedigen hun territorium fel en gaan katten, slangen en mensen te lijf die te dicht bij het nest komen. Het nest is een stevige takkenkom laag in een dichte, vaak doornige struik. De familie is beperkt tot Amerika en Mexico is er het rijkste land van, met spotlijsters, de meeste soorten van het geslacht Toxostoma in droog struweel en woestijn, en de blauwe spotlijster als endeem van het binnenland. Op Cozumel leeft een eigen Toxostoma-soort die vrijwel verdwenen is, de zwarte katvogel is beperkt tot de kust en eilanden van het schiereiland Yucatán, en de grijze katvogel komt uit het noorden overwinteren.
- Spreeuwen | Sturnidae1 soortStevige vogels met een rechte, spitse snavel en krachtige poten; ze lopen doelgericht over de grond in plaats van te huppen. Voedsel zoeken ze door de gesloten snavel in de zode te steken en hem daar met kracht open te duwen — de kaakspieren zijn daarop gebouwd en de ogen staan zo ver naar voren dat de vogel langs de geopende snavel omlaag kan kijken. Het verenkleed is bij veel soorten metaalglanzend, een glans die uit de bouw van de veer komt en niet uit kleurstof, vaak met lichte stippen. Ze zijn uitgesproken groepsdieren: troepen op zoek naar voedsel, gezamenlijke slaapplaatsen, en broedholtes vlak bij elkaar; veel soorten zijn goede imitators.
- Waterspreeuwen | Cinclidae1 soortGedrongen vogels met een korte, opgewipte staart, krachtige poten met lange tenen en stevige nagels, en een buitengewoon dichte, vetrijke bevedering met veel meer veren dan een zangvogel van dezelfde maat gewoonlijk draagt; de verenkleedklier op de stuit is naar verhouding enorm en levert de olie waarmee de veren waterdicht blijven. Ze duiken vanaf een steen of vanuit de vlucht het water in, roeien onder water met de korte ronde vleugels en lopen over de bodem tegen de stroom in, met de kop omlaag, zodat het water hen tegen het grind drukt. Onder water sluit een klepje de neusgaten af, schuift een doorzichtig knipvlies over het oog en houdt het zware, weinig luchthoudende skelet hen laag bij de bodem. Ze foerageren op kokerjuffers, haft- en steenvlieglarven en kleine kreeftachtigen die onder de keien zitten. Het nest is een bol van mos met een zij-ingang, gebouwd achter een waterval, in een oevermuur of onder een brug, vaak alleen bereikbaar door het opspattende water heen. De zang is luid en aanhoudend en ligt precies op een toonhoogte die over het geraas van het water heen komt; beide geslachten zingen, het hele jaar door. Wereldwijd telt de familie maar vijf soorten, alle gebonden aan snelstromend water.
- Lijsters | Turdidae30 soortenMiddelgrote vogels met een rechtop gedragen lijf, lange stevige poten en een matig lange, slanke snavel. Op de grond werken ze in korte etappes — een paar sprongen, stilstaan, luisteren en kijken, dan toeslaan — en in de nazomer en winter verschuiven ze grotendeels naar bessen en vallend fruit, wat verklaart waarom hele populaties bij vorst plotseling naar het zuidwesten opschuiven. De zang is luid en fluitend, met herhaalde motieven, en wordt vanaf een hoge, open post gebracht, vooral in de vroege ochtend en de schemering. Het nest is een stevige kom, bij veel soorten van binnen met modder bepleisterd; jonge vogels zijn gevlekt, ook als de ouders effen zijn.
- Oranjekopzanger | Peucedramidae1 soortEen familie met één soort, de olijfzanger, die leeft in naald- en dennen-eikenbossen van de hooglanden van Mexico tot in Nicaragua, en noordelijk tot in het zuidwesten van de Verenigde Staten. De vogel werd lang tot de Amerikaanse zangers gerekend, maar bleek een oude, aparte tak die eerder in de buurt van de vinken en piepers staat. Hij is zo groot als een zanger, met een fijne, spitse snavel en vrij lange vleugels. Het mannetje heeft een oranjebruine tot okergele kop en borst met een zwart masker door het oog, een grijze rug en twee witte vleugelstrepen; het vrouwtje is valer, met geelachtige kop en een grijze vlek op de oorstreek. De olijfzanger foerageert hoog in de kruinen van dennen, waar hij langs takken en naaldbundels insecten en hun larven zoekt, vaak in gezelschap van andere bosvogels. De zang is een heldere, herhaalde fluitende frase. Het nest is een stevig kommetje van mos, korstmos en worteltjes, hoog in een naaldboom en vaak ver van de stam, met drie of vier eieren.
- Prachtvinken | Estrildidae2 soortenKleine tot zeer kleine zaadeters met een korte, dikke kegelsnavel — bij veel soorten fel koraalrood, bij andere zilvergrijs of blauwzwart — en een gedrongen lijf met korte, ronde vleugels en een snelle, licht golvende vlucht. Ze leven het hele jaar in troepen en halen hun voedsel van de zaadpluim zelf: klauterend, hangend, of de halm met het eigen gewicht omlaag buigend, en verder van de grond eronder. Het nest is een gesloten bal van dooreengevlochten grashalmen met een zijingang, vaak verlengd tot een korte toegangspijp, laag in een graspol, een doornstruik of dicht riet; beide ouders bouwen en broeden om beurten. De jongen dragen achter in de opengesperde bek een vast patroon van zwarte stippen en strepen, met aan de mondhoeken gekleurde knobbels die in het donker van de nestbal oplichten en de ouders wijzen waar het voer heen moet. Dat voer is zaad dat de ouders opgeweekt in de krop aanvoeren en jong voor jong uitgeven.
- Mussen | Passeridae1 soortGedrongen, kortpotige zaadeters met een zware kegelsnavel waarvan de snijranden een graankorrel openknijpen. In de tong zit een klein extra bot, het preglossale, dat als aambeeld dient: de korrel wordt tegen het gehemelte gedraaid, de schil eraf geschild en de kern doorgeslikt, en het hele karwei duurt een seconde. Volwassen vogels leven van zaad; de jongen worden met rupsen en bladluizen grootgebracht. Het nest is een slordige, overdekte bal van halmen, stro en veren, weggepropt in een holte — boomgat, muurspleet, dakpan of het verlaten nest van een andere soort — en staat meestal in losse kolonies, met twee tot vier legsels per jaar. Baden gebeurt in droog stof: de vogel schopt een kuiltje uit en werkt het zand door zijn verenkleed. Verscheidene soorten leven het hele jaar bij mensen, in dorpen, op erven, in steden en bij graanopslag, waar gemorst voer en de bebouwing zelf voedsel en nestholtes leveren.
- Kwikstaarten en piepers | Motacillidae4 soortenSlanke, langpotige zangvogels die lopen in plaats van huppen: de voet zet af, de kop knikt mee, en de lange staart wipt daarbij onophoudelijk op en neer — bij de kwikstaarten zo hard dat het hele lichaam meeveert. De snavel is dun, recht en spits, gemaakt om insecten van de grond, van natte stenen of uit de lucht te plukken; de poot is hoog en dun, en bij de piepers is de nagel van de achterteen sterk verlengd, bijna zo lang als de teen zelf, wat houvast geeft in gras en zegge. Twee gedaanten binnen één bouw: de kwikstaarten scherp getekend in zwart, wit, grijs en geel, de piepers bruin en gestreept en onderling vooral aan roep en vleugelformule te scheiden. Het nest is een kommetje op de grond, verstopt onder een pol of in een nis, en de zang gaat de lucht in: opstijgen, zingen, en in een dalende parachutevlucht weer neerkomen.
- Vinkachtigen | Fringillidae28 soortenDe kegelvormige snavel is het kenmerk: het zaad wordt niet doorgeslikt maar gepeld, geklemd in een groef in het gehemelte terwijl de ondersnavel het vlies eraf schuift. Hoe zwaarder de snavel, hoe harder de pit die eraan moet geloven, zodat de vorm van soort tot soort verraadt waarop de vogel is aangewezen. Buiten de broedtijd zwerven ze in troepen door zaadrijke akkers, bossen en oevers, met een golvende vlucht en aanhoudende contactroepjes waaraan ze op afstand te herkennen zijn. Anders dan de meeste zangvogels voeren veel soorten hun jongen niet met insecten maar met opgebraakt zaad, dat ze in een uitstulping van de slokdarm meedragen.
- Lijsttangaren | Rhodinocichlidae1 soortDe familie bestaat uit één soort, de lijsttangare, die lang bij de tangaren werd ingedeeld maar volgens DNA-onderzoek een eigen, geïsoleerde tak van de zangvogels vormt. In de gids komt hij voor in een aantal van elkaar gescheiden gebieden, van het westen van Mexico tot Panama, steeds in dichte struiklagen van droog en halfvochtig bos en bosranden. Het mannetje is donker leigrijs van boven, met een rozerode keel, borst en wenkbrauwstreep; bij het vrouwtje is dat rood vervangen door warm oranjebruin. De snavel is vrij lang en spits, en de poten zijn stevig. Hij leeft dicht bij of op de grond, waar hij met de snavel bladafval omgooit op zoek naar insecten en andere kleine dieren, en blijft daarbij meestal goed verborgen in het struikgewas. Wie hem wil zien, gaat op de stem af: de zang is een reeks rijke, heldere fluittonen, en partners zingen soms beurtelings. Het nest is een kom van plantenmateriaal laag in een struik of dicht struikgewas. Ondanks de felle kleuren van het mannetje is het een soort die weinig wordt gezien.
- IJsgorzen en sneeuwgorzen | Calcariidae3 soortenDe naam van de familie zit in de achterteen: de nagel is lang en vrijwel recht, vaak langer dan de teen zelf, en hoort bij vogels die lopend op vlakke, boomloze grond leven. Het zijn gedrongen zaadeters met een korte kegelsnavel, lange spitse vleugels en een snelle, lage vlucht, die lopen in plaats van huppelen. De familie is klein en broedt in het noorden, op de toendra en op de prairies van het binnenland. In Mexico zijn de soorten van deze gids alleen wintergast in het noorden: Calcarius ornatus en Rhynchophanes mccownii overwinteren in korte graslanden en droge vlakten, vooral in Chihuahua en aangrenzende staten, terwijl de ijsgors er als zeldzame wintergast voorkomt; verder naar het zuiden ontbreekt de familie. Buiten de broedtijd zwerven ze in troepen die laag over het gras jagen en opeens neerstrijken. Zomer- en winterkleed lopen sterk uiteen: het scherp getekende mannetje van juni is in de winter een bruin gestreepte vogel, en zo worden ze hier ook gezien. In het broedgebied komt de zang uit een korte zangvlucht, en het nest staat op de grond in een pol. De groep wordt sinds omstreeks 2010 in een eigen familie geplaatst, los van de echte gorzen.
- Amerikaanse gorzen | Passerellidae72 soortenDe gorzen van de Nieuwe Wereld: zaadeters met een korte kegelsnavel, stevige poten en een vrij lange, afgeronde staart, meestal bruin en gestreept van boven. Veel soorten foerageren op de grond in strooisel en onder struiken, met een manier van krabben die voor de familie kenmerkend is: beide poten tegelijk naar achteren schuiven in een kort sprongetje, zodat het strooisel wegvliegt en zaad en insecten bloot komen te liggen. Bij de gestreepte soorten draait de determinatie vooral om de koptekening: kruinbanden, wenkbrauwstreep, oogstreep en baardstreep in vaste patronen. Het nest is een kommetje op de grond of laag in een struik. Sinds omstreeks 2017 worden ze in een eigen familie geplaatst, los van de Emberizidae. In Mexico en Midden-Amerika is de familie zeer divers: naast de vele noordelijke soorten die hier overwinteren leven er standvogels als de struikgorzen van Atlapetes en Arremon in bergbos en regenwoud, de Chlorospingus-soorten, die anders dan de rest in groepjes door het bladerdek trekken, junco's en towhees in de bergen, en endemen als de zeldzame Xenospiza baileyi van hooggelegen graslanden in Mexico.
- Zeledonia's | Zeledoniidae1 soortEen familie met één soort, de zeledonia, die alleen voorkomt in de hooglanden van Costa Rica en het westen van Panama, in de dichte ondergroei van nevelwoud, bamboebossen en struikvegetatie van de páramo, vaak in de buurt van beekjes. De vogel leek met zijn ronde lijf, korte vleugels, korte staart en lange poten op een winterkoning of een kleine lijster, maar blijkt nauw verwant aan de Amerikaanse zangers. Het verenkleed is olijfbruin van boven en leigrijs van onder, met een oranjebruine kruin die aan weerszijden zwart is afgezet; de seksen zijn gelijk. De vleugels zijn zo kort en rond dat de vogel zelden vliegt en zich vooral hoppend over de bosbodem en door het struikgewas verplaatst, waar hij in mos en bladafval naar insecten en andere kleine ongewervelden zoekt. Hij is schuw en verborgen en wordt het vaakst opgemerkt aan zijn ijle, hoge roepjes en zijn zang, een korte reeks hoge, dunne tonen. Het nest is een overkoepeld bouwsel van mos, met een ingang aan de zijkant, in een wal of tussen wortels.
- Spindalissen | Spindalidae1 soortDe spindalissen zijn een kleine familie die vrijwel geheel tot de Caraïben beperkt is. In het gebied komt alleen de Westelijke Spindalis voor, met een eigen ondersoort op het eiland Cozumel voor de kust van Yucatán, terwijl de soort verder op de Bahama's, Cuba en de Kaaimaneilanden leeft. De vogels werden vroeger tot de tangaren gerekend, maar vormen een eigen, oude Caraïbische familie. Het zijn stevige zangvogels met een korte, kegelvormige snavel. Het mannetje is opvallend getekend, met een zwarte kop met witte strepen boven en onder het oog, een oranjegele borst en nek, een olijfgroene of bruinige rug en zwarte vleugels met witte randen; het vrouwtje is onopvallend olijfgrijs met vage koptekening. Spindalissen leven in bos, struweel en tuinen en eten vooral vruchten en bessen, waaronder vijgen, aangevuld met knoppen, bloemen en insecten. Ze zijn vaak rustig en onopvallend in het gebladerte en laten hoge, dunne roepjes en een ijle zang horen. Het nest is een open kom van plantenmateriaal in een boom of struik.
- Troepialen | Icteridae45 soortenEen uitsluitend Amerikaanse familie, die met de gewone zangvogelsnavel iets anders doet dan de rest. De snavel is recht, scherp en zonder haak, en wordt niet gebruikt om iets dicht te knijpen maar om het open te wrikken: de vogel steekt de gesloten punt in een bladschede, een vrucht of een spleet in de bast en duwt de kaken vervolgens uit elkaar, zodat het voedsel blootkomt. In Mexico en Midden-Amerika telt de familie 45 soorten, van oropendola's en caciques via de troepialen (Icterus) tot weidespreeuwen, grackles en koevogels. Bij veel soorten zijn de mannetjes fel getekend in geel, oranje of rood tegen zwart, terwijl de vrouwtjes doffer blijven. De oropendola's, zoals de montezuma-oropendola, broeden in kolonies en weven tot een meter lange hangende nesten aan de uiteinden van de takken van een vrijstaande boom; de troepialen weven kleinere buidelnesten, andere soorten bouwen een kom in riet of struik. Koevogels leggen hun eieren in de nesten van andere vogels; de reuzenkoevogel doet dat bij oropendola's en caciques. De grackle Quiscalus mexicanus is in steden en dorpen een van de opvallendste vogels, en in de winter komen er troepialen en andere soorten uit het noorden bij.
- Amerikaanse zangers | Parulidae70 soortenKleine, kortsnavelige insecteneters van het bladerdek, negen tot vijftien centimeter lang en zelden zwaarder dan vijftien gram. Ze werken een boomkruin systematisch af, pikken rupsen en bladluizen van de onderkant van bladeren, hangen aan een twijgeinde of vangen een insect in een kort vluchtje. Bij de trekkende soorten wisselt het verenkleed sterk met het seizoen: in het voorjaar dragen de mannetjes scherp begrensde vlakken geel, zwart, blauw, oranje of kastanje, en na de rui staan mannetje, vrouwtje en jonge vogel er vaak groenig en vaag getekend bij, zodat een wintervogel op details als onderstaartdekveren, pootkleur en vleugelstrepen moet worden gedetermineerd. Mexico en Midden-Amerika zijn het belangrijkste overwinteringsgebied van deze trekkers, die soms in één ruk over de Golf van Mexico vliegen en hier in de winter in elk bostype in gemengde groepen te vinden zijn. Daarnaast leven hier veel standvogels, zoals de soorten van Basileuterus en Myiothlypis, de Myioborus-soorten die met gespreide staart insecten opschrikken, en in de bergen van Mexico en Guatemala de rode en de roze-kopzanger. Het is een uitsluitend Amerikaanse familie.
- Kardinaalachtigen | Cardinalidae35 soortenEen uitsluitend Amerikaanse familie van middelgrote zangvogels. Bij veel geslachten is de snavel zwaar, kort en kegelvormig, met een gebogen bovenrand en een brede basis, gebouwd om harde zaden en pitten te kraken; de tangaren (Piranga), de miertangaren (Habia) en verwante geslachten hebben een slankere snavel en eten meer insecten en vruchten. In Mexico en Midden-Amerika telt de familie 35 soorten. Opvallend is het verschil tussen de seksen: het mannetje draagt bij veel soorten één verzadigde kleur over vrijwel het hele lichaam, rood of diep blauw, terwijl het vrouwtje warm bruin tot olijfgroen is. Een deel van de soorten is standvogel, zoals de miertangaren en de blauwzwarte bisschop van tropisch bos, maar in de winter komen er veel trekvogels uit het noorden bij, zoals de indigogors, de blauwe bisschop, de roodborstkardinaal en de zomertangare. Bij de indigogors en verwanten ruit het mannetje buiten de broedtijd naar een onopvallender kleed, zodat wintervogels vaak op snavelvorm en staartlengte moeten worden bekeken. Ze leven in struweel, bosranden en bos, zingen vaak vanaf een hoge post en bouwen een open nest in een struik of boom.
- Mitrospingustangaren | Mitrospingidae1 soortEen kleine Zuid- en Midden-Amerikaanse familie van enkele soorten die lang bij de tangaren werden ingedeeld, tot DNA-onderzoek liet zien dat ze een eigen tak vormen binnen de groep van tangaren, kardinalen en verwanten. In de gids staat één soort, Mitrospingus cassinii, die in het vochtige laagland van Costa Rica en Panama leeft, vooral langs beken, rivieren en open plekken met dichte, natte struikgroei aan de rand van het bos. Het is een middelgrote, wat langgerekte vogel met een donker, zwartachtig gezicht, een verenkleed in tinten van grijs, olijfgroen en olijfgeel, en een opvallend licht oog dat in het donkere gezicht goed zichtbaar is. De soort leeft in luidruchtige groepjes die onrustig door de ondergroei trekken en elkaar voortdurend met scherpe, tjilpende roepen in contact houden; vaak sluiten andere soorten zich bij zo'n groep aan. Ze eten insecten en andere kleine ongewervelden, die ze tussen bladeren en takken zoeken, en daarnaast vruchten. Over de voortplanting is nog weinig bekend.
- Tangaren | Thraupidae63 soortenEen van de grootste vogelfamilies ter wereld, met in de gids drieënzestig soorten in dertig geslachten, van droog struweel en graslanden tot regenwoud, nevelwoud en tuinen, met de grootste rijkdom in de vochtige bossen van Costa Rica en Panama. De familie is pas door DNA-onderzoek in haar huidige vorm vastgesteld en omvat vogels van zeer uiteenlopend voorkomen. De eigenlijke tangaren, zoals de Tangara-soorten, zijn kleine tot middelgrote vogels met een korte, stevige snavel en vaak een schitterend bont verenkleed; ze eten vooral vruchten en insecten en trekken in gemengde groepen door het kronendak. Daarnaast horen er de suikervogels en pitpits bij, met een dunne, gebogen snavel en glanzend blauw of groen, die nectar, vruchten en insecten eten, de bergsuikervogels met een haakpuntige snavel waarmee ze bloemkronen opensnijden om nectar te stelen, de suikerdief, de zaadeters en de saltators met hun dikke zaadkrakerssnavel, en de cocosvink van Isla del Coco, een naaste verwant van de darwinvinken. De zang is meestal eenvoudig, bij de saltators echter helder en welluidend. Het nest is doorgaans een open kom in een boom of struik, met meestal twee eieren; de suikerdief bouwt een overkoepeld nest en de zwaluwtangare broedt in een gang in een wal.