Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Amerikaanse dwergooruil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Amerikaanse dwergooruil | Psiloscops flammeolus

Flammulated Owl | Tecolote ojo oscuro

De Amerikaanse dwergooruil is een kleine, insectenetende uil van droog naald- en pijn-eikenbos in de bergen van het westen van Noord-Amerika en Mexico. Hij is de enige uil van het gidsgebied met donkere ogen en korte oorpluimen. Het grootste deel van de vogels trekt: ze broeden van het westen van Canada tot Midden-Mexico en overwinteren in het zuiden van Mexico en het noorden van Midden-Amerika. Door zijn verborgen leefwijze en zachte roep wordt hij weinig opgemerkt.

Amerikaanse dwergooruil (Psiloscops flammeolus)
Foto: Hans de Grys — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, zacht hoep, met tussenpozen van enkele seconden lang herhaald, vaak voorafgegaan door een of twee nog zachtere tonen, hoe-hoep. Voor een zo kleine uil klinkt de roep opvallend laag en lijkt hij van verder weg te komen dan hij is. Het vrouwtje roept hoger en jankender. Vooral te horen van april tot juli, de hele nacht door.

Luister: ZangXC530751

Opname: Edgardo Orozco Díaz (Birding Guide) Contact: birdergtexpeditions@gmail.com — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm, klein, met korte oorpluimen die vaak plat liggen, donkerbruine ogen en lange vleugels die tot de staartpunt reiken. Het verenkleed is grijs met fijne zwarte strepen en vermiculatie; over de schouders loopt een rij roestbruine of okerkleurige vlekken en de gezichtsschijf is grijs tot roestbruin omrand. Er zijn grijze en meer roodachtige vogels. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De schreeuwuilen (Megascops), zoals de gevlekte schreeuwuil Megascops trichopsis en de westelijke schreeuwuil Megascops kennicottii, zijn groter, hebben gele ogen en langere oorpluimen en kortere vleugels. De cactusuil Micrathene whitneyi is kleiner, heeft gele ogen, witte wenkbrauwen en geen oorpluimen. De dwerguilen (Glaucidium) hebben gele ogen, geen oorpluimen en een langere staart.

Leefgebied

Open, droog bergbos van pijnbomen, eiken en zilversparren, met name pijn-eikenbos en dennenbos met een open ondergroei van struiken, meestal tussen ongeveer 1500 en 3000 meter; in de winter ook in lager gelegen eikenbos en nevelwoud. Broedt in oude spechtenholen in bomen. Jaagt ’s nachts in de kruinen en vanaf takken op nachtvlinders, kevers, krekels en spinnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Zomergast in de bergen van Noord- en Midden-Mexico: de Sierra Madre Occidental in Sonora, Chihuahua, Durango en Sinaloa, de Sierra Madre Oriental in Coahuila, Nuevo León en Tamaulipas, en verder zuidwaarts tot de vulkanische gordel van Midden-Mexico. Een deel van de vogels in het zuiden van Mexico is waarschijnlijk het hele jaar aanwezig. Wintergast in de bergen van Oaxaca, Guerrero en Chiapas, en in het westen van Guatemala en in El Salvador. Buiten het gidsgebied broedend van het zuiden van Brits-Columbia door het westen van de Verenigde Staten.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In mei en juni is de lage roep na het donker te horen in pijn-eikenbos in de bergen van Durango en Chihuahua, bijvoorbeeld langs de weg tussen Durango en Mazatlán. De vogel roept vaak hoog in een boom tegen de stam en is ook met een lamp moeilijk te vinden. In de winter is hij in Mexico en Guatemala vrijwel nooit te horen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is groot, maar de soort is afhankelijk van oude bomen met spechtenholen en daardoor gevoelig voor kap van oud bergbos.

Wetenschappelijke naam

Psiloscops flammeolus | (Kaup, 1852)

Kaup beschreef de soort in 1852 als Scops (Megascops) flammeola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Psiloscops werd in 1899 ingevoerd door Coues. Psiloscops is Grieks, van psilos 'kaal, glad' en Scops, een oude geslachtsnaam voor dwergooruilen. flammeolus is Latijn voor 'vlamkleurig, met vlamachtige tekening', van flamma 'vlam', naar het roestrode, gevlamde verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico (niet nader bepaald).