Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Amerikaanse smient
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae
Amerikaanse smient | Mareca americana
American Wigeon | Silbón americano
De Amerikaanse smient is een middelgrote grondeleend met een korte snavel, die evenveel graast als grondelt. In het gidsgebied is hij een wintergast uit Noord-Amerika: in het noorden en op de hoogvlakte van Mexico een van de gewone overwinterende eenden, naar het zuiden toe schaarser.
Geluid
Het mannetje laat een hoog, fluitend wie-wie-wieuw van drie tonen horen, ook in de vlucht; het vrouwtje een schor, grommend kwarr. Groepen zijn vaak eerder te horen dan te zien.
Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
42–59 cm, met een ronde kop, een korte blauwgrijze snavel met zwarte punt en een spitse staart. Het mannetje heeft een crèmewitte kruin, een brede, glanzend groene band van het oog naar de nek op een fijn gespikkelde grijze kop, roze-kaneelkleurige borst en flanken, en een zwart achterlijf met een witte vlek ervoor. Het vrouwtje is warm oranjebruin op de flanken, met een grijzere kop en een donkere vlek rond het oog. In de vlucht toont het mannetje een groot wit vlak op de voorvleugel en een groene spiegel; de okselveren zijn bij beide seksen helderwit. In de herfst is een deel van de mannetjes nog in eclipskleed.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de smient Mareca penelope, in het gidsgebied schaars, heeft een kastanjebruine kop met een roomgele bles; het vrouwtje heeft een warmer bruine kop en grijze okselveren. Het vrouwtje van de krakeend Mareca strepera heeft een dunnere snavel met oranje randen en een wit vlak aan de binnenkant van de vleugel. Het vrouwtje van de wilde eend Anas platyrhynchos en de Mexicaanse eend Anas diazi zijn groter en hebben een lange, oranje of gelige snavel.
Leefgebied
Ondiepe zoete en brakke meren, stuwmeren, vijvers, lagunes en moerassen met open water, ook zoutmeren op de hoogvlakte, rijstvelden en waterzuiveringsvijvers. Eet vooral waterplanten en graast op natte graslanden aan het water. Pikt ook planten op die duikeenden en meerkoeten naar boven halen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Overwintert in heel het noorden en midden van Mexico, met de grootste aantallen in Sonora, Chihuahua, Coahuila, Durango en Baja California, verder in Sinaloa, Nuevo León, Tamaulipas, San Luis Potosí, Zacatecas en op de meren van de centrale hoogvlakte van Jalisco en Michoacán tot Puebla en Veracruz. In het zuiden van Mexico en in Midden-Amerika schaarser, maar tot in Panama bekend. Broedt in het noordwesten van Noord-Amerika, van Alaska tot de prairies.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op grote, ondiepe meren en stuwmeren in het noorden van Mexico, vaak samen met pijlstaarten, slobeenden en wintertalingen. Het fluiten van de mannetjes verraadt een groep al voordat de vogels in zicht zijn.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populatie schommelt met de omstandigheden in de broedgebieden. In Mexico wordt op de soort gejaagd, en het verlies van wetlands vermindert het aantal geschikte overwinteringsplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Mareca americana | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Anas americana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mareca werd in 1824 ingevoerd door Stephens. Mareca gaat terug op het Portugese marreco, een woord voor een kleine eend. americana is Latijn voor 'Amerikaans', naar het Noord-Amerikaanse broedgebied. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Louisiana en New York.




