Alle soorten › Pelikaanachtigen › Pelikanen › Amerikaanse witte pelikaan

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Amerikaanse witte pelikaan | Pelecanus erythrorhynchos

American White Pelican | Pelícano blanco americano

De Amerikaanse witte pelikaan is een zeer grote, witte pelikaan met zwarte vleugelpunten en een oranjegele snavel. Hij vist zwemmend, vaak in groepen die samen vis opdrijven, en duikt niet zoals de bruine pelikaan. In het gidsgebied is hij een wintergast uit het westen en midden van Noord-Amerika, op meren in het binnenland en op kustlagunes van Mexico.

Amerikaanse witte pelikaan (Pelecanus erythrorhynchos)
Foto: Vkulikov — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrijwel stil. Buiten de broedkolonie hooguit een laag gegrom of gesis.

Luister: Wing noiseXC486233

Opname: Bruce Lagerquist — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

127–165 cm, met een spanwijdte van bijna drie meter. Volwassen vogels zijn wit, met zwarte handpennen en buitenste armpennen die vooral in vlucht opvallen. De lange, platte snavel en de keelzak zijn oranjegeel, net als de kale huid rond het oog en de poten. In het broedseizoen groeit er een platte, verticale hoornplaat op de bovensnavel, die na het leggen weer afvalt; buiten het broedseizoen, wanneer de vogels in het gidsgebied zijn, ontbreekt die meestal en zijn snavel en poten doffer. Jonge vogels hebben een grijsachtige kop en bovenvleugel en een grijzige snavel. Vliegt met ingetrokken kop, vaak in rijen of V-formaties, en cirkelt op thermiek in grote groepen hoog in de lucht.

Verwarrings­soorten

De bruine pelikaan Pelecanus occidentalis is kleiner en donker grijsbruin, leeft aan zee en vist duikend. De kaalkopooievaar Mycteria americana is wit met zwarte slagpennen en staart, maar heeft een kale, donkere kop, een gebogen snavel en lange poten en vliegt met gestrekte hals. De jabiroe Jabiru mycteria heeft geheel witte vleugels, een zwarte kop en hals en een zware, zwarte snavel.

Leefgebied

Grote ondiepe meren, stuwmeren, kustlagunes, estuaria en de randen van zout- en sodameren; rust op zandbanken, eilandjes en oevers. Vist in groepen die in een halve cirkel of een rij zwemmen en vis naar ondiep water drijven, waarna ze tegelijk hun snavels onderdompelen. Broedt buiten het gidsgebied in kolonies op eilanden in meren in het binnenland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In de winter in grote delen van Mexico: op meren van de centrale hoogvlakte, zoals het meer van Chapala, en langs de Pacifische kust van Baja California en Sonora zuidwaarts tot Oaxaca en Chiapas, met de grootste aantallen in de lagunes van Sinaloa en Nayarit. Aan de Golfkust van Tamaulipas tot het schiereiland Yucatán, vooral in de Laguna Madre. In Midden-Amerika zeldzaam, zuidelijk tot Nicaragua en Costa Rica. Buiten het gidsgebied broedt de soort in het westen en midden van Noord-Amerika, van het zuiden van Canada tot Californië en Texas, en overwintert ze ook in het zuiden van de Verenigde Staten.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter is de soort het makkelijkst te zien bij Petatán aan het meer van Chapala, waar honderden vogels bij de vissershaven verblijven, en in de kustlagunes van Sinaloa en Nayarit. Op warme dagen cirkelen groepen hoog op thermiek, waarbij de zwarte vleugelpunten oplichten wanneer de vogels draaien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is in de laatste decennia gegroeid. In het gidsgebied een wintergast zonder vaste broedpopulatie. Vogels sterven door verstrikking in vislijnen en netten, en de rustplaatsen zijn gevoelig voor verstoring.

Wetenschappelijke naam

Pelecanus erythrorhynchos | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pelecanus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Pelecanus is de Latijnse vorm van het Griekse pelekan 'pelikaan', dat zelf teruggaat op pelekys 'bijl'. erythrorhynchos is Grieks voor 'roodsnavelig', van eruthros 'rood' en rhunkhos 'snavel', naar de oranjerode snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hudsonbaai en New York.