Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Rode lepelaar

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Rode lepelaar | Platalea ajaja

Roseate Spoonbill | Espátula rosada

De rode lepelaar is de enige roze lepelaar ter wereld. Hij foerageert in ondiep, vaak brak water door de half geopende, platte snavel met zijwaartse bewegingen door het water te halen. In het gidsgebied is hij een standvogel van kustlagunes, mangrove en moerassen in het laagland, aan beide kusten van Mexico en in heel Midden-Amerika. De roze kleur ontleent hij aan kleurstoffen in zijn voedsel.

Rode lepelaar (Platalea ajaja)
Foto: Judy Gallagher — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij de kolonie en bij het opvliegen een laag, hees huh-huh-huh en grommende geluiden; ook snavelgeklepper.

Luister: RoepXC451725

Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

71–86 cm, met een lange, platte snavel die aan het eind verbreed is tot een lepel. Volwassen vogels hebben een witte hals en bovenrug en een roze lichaam en vleugels, met dieprode schouders en een rode vlek op de borst; de staart is oranjeachtig. De kop is kaal en groenig, in de broedtijd geelachtig, met een zwarte band rond het achterhoofd. De snavel is grijs, de poten zijn roodachtig. Jonge vogels zijn witachtig met een lichtroze waas, hebben een bevederde witte kop en een lichte, gelige tot roze snavel; ze worden in ongeveer drie jaar volledig roze. Vliegt met gestrekte hals, in rijen of groepjes, met snelle slagen afgewisseld door glijvluchten.

Verwarrings­soorten

De rode flamingo Phoenicopterus ruber is veel langer van hals en poten, geheel roze tot oranjeroze en heeft een geknikte snavel. Jonge, bijna witte rode lepelaars kunnen in vlucht op de witte ibis Eudocimus albus lijken, maar die heeft een gebogen, rode snavel en zwarte vleugelpunten. Witte reigers, zoals de grote zilverreiger Ardea alba, hebben een spitse, rechte snavel en vliegen met ingetrokken hals.

Leefgebied

Kustlagunes, estuaria, zoutpannen, getijdenslik en de randen van mangrove; ook zoete en brakke moerassen, overstroomde graslanden en rijstvelden in het laagland. Foerageert lopend in ondiep water op kleine vis, garnalen, krabben en waterinsecten, die met de lepel worden opgezeefd. Broedt in kolonies in mangrove of struiken, vaak samen met reigers en ibissen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Aan de Pacifische kant van Sinaloa zuidwaarts, plaatselijk ook in het zuiden van Baja California en in Sonora, en aan de Golfkant van Tamaulipas over Veracruz, Tabasco en Campeche tot het schiereiland Yucatán. Verder in het laagland van heel Midden-Amerika tot Panama, aan beide kusten en in grote moerasgebieden in het binnenland. Buiten de broedtijd zwerven vogels langs de kusten. Buiten het gidsgebied in Florida, Texas en Louisiana, op Cuba, Hispaniola en de Bahama's, en in grote delen van Zuid-Amerika ten oosten van de Andes.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Goede plekken zijn de lagunes van Celestún en Ría Lagartos op Yucatán, de mangrove rond San Blas in Nayarit, Crooked Tree in Belize en Palo Verde en Caño Negro in Costa Rica. Foeragerende vogels zijn het best bij laag water te zien, wanneer ze in groepjes met zwaaiende koppen door de lagunes lopen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In de negentiende eeuw werd de soort in het noorden van haar verspreidingsgebied door jacht voor de veren bijna uitgeroeid, en ze heeft zich sindsdien hersteld. In het gidsgebied zijn de kolonies kwetsbaar voor verstoring, het kappen van mangrove en het ontwateren van moerassen.

Wetenschappelijke naam

Platalea ajaja | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Platalea voerde hij in datzelfde werk in. Platalea is het Latijnse woord voor de lepelaar, teruggaand op het Griekse platus 'breed, plat', naar de snavel. ajaja is de Tupi-naam van de vogel, zoals vastgelegd door Georg Marcgrave in Brazilië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rio São Francisco, oostelijk Brazilië.