Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Azuurzanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Azuurzanger | Setophaga cerulea

Cerulean Warbler | Chipe cerúleo

De azuurzanger is een kleine, kortstaartige zanger van de boomkronen. Het mannetje is van boven hemelsblauw en van onderen wit met een smalle donkere borstband. Hij broedt in loofbos in het oosten van Noord-Amerika en overwintert in de Andes; het gidsgebied doorkruist hij alleen tijdens de trek.

Azuurzanger (Setophaga cerulea)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks zoemende tonen die versnelt en eindigt in een hoge, stijgende zoemtriller; in het gidsgebied vooral in het voorjaar te horen. De roep is een kort tsjip; in de vlucht een zoemend zie.

Luister: VluchtroepXC1136328

Opname: Matt Wistrand — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Kort van staart, met lange vleugels. Het mannetje heeft hemelsblauwe bovendelen met zwarte streepjes op de rug, twee witte vleugelstrepen, een witte keel en onderzijde, een smalle blauwzwarte band over de borst en blauwzwarte streepjes op de flanken. Het vrouwtje is van boven blauwgroen tot turquoise, met een lichtgele wenkbrauwstreep, twee witte vleugelstrepen en een geelwitte onderzijde met vage flankstreepjes. Jonge vogels in de herfst zijn groener van boven en geler van onderen. Beide seksen hebben witte vlekken in de staart.

Verwarrings­soorten

De brilparulazanger Setophaga americana heeft een gele keel en borst, witte ooglidbogen en een groene vlek op de rug. Het vrouwtje van de blauwe zwartkeelzanger Setophaga caerulescens mist de vleugelstrepen. Vrouwtjes en jonge vogels lijken op die van de kastanjezanger Setophaga castanea en de zwartkopzanger Setophaga striata, maar die hebben een gestreepte, olijfgroene rug zonder blauwe tint en een langere staart.

Leefgebied

Tijdens de trek de kronen van vochtig laagland-, voetheuvel- en bergbos en hoge bomen aan bosranden, vaak in gemengde groepen met andere zangers en vireo's. Zoekt in de buitenste bladeren naar insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten van de Verenigde Staten en het uiterste zuiden van Canada. Overwintert op de oosthellingen van de Andes, van Venezuela en Colombia tot Peru en Bolivia. Trekt door het gidsgebied, vooral over de Golf van Mexico en door het schiereiland Yucatán, Belize en de Caribische kant van Midden-Amerika naar het zuiden; in het westen van Mexico zeldzaam.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kansen liggen in de voorjaarstrek in april, wanneer vogels op het schiereiland Yucatán en langs de Caribische kust in hoge bomen rusten voor de oversteek naar het noorden, en in de najaarstrek in augustus en september in het voetheuvelbos van Costa Rica en Panama.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT). De broedpopulatie is sinds de jaren zestig sterk afgenomen door verlies en versnippering van rijp loofbos in Noord-Amerika en door ontbossing in de Andes, waar bergbos plaatsmaakt voor landbouw en zonkoffie.

Wetenschappelijke naam

Setophaga cerulea | (Wilson, 1810)

Wilson beschreef de soort in 1810 als Sylvia cerulea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. cerulea is Latijn, van caeruleus 'hemelsblauw', naar de blauwe bovendelen van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten.