Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Bigua-aalscholver
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes
Bigua-aalscholver | Nannopterum brasilianum
Neotropic Cormorant | Cormorán neotropical
De bigua-aalscholver is een middelgrote, zwarte aalscholver met een vrij lange staart. Het is de algemeenste en meest verspreide aalscholver van het gidsgebied, op zoet, brak en zout water, van de kust tot meren in het hooggebergte. De vogels zitten vaak in groepen op palen, dode bomen en oevers, met de vleugels gespreid om te drogen.
Geluid
Meestal stil. Bij de kolonie en op slaapplaatsen een laag, varkensachtig knorren en grommen, zoals oenk-oenk.
Opname: Guillermo Treboux — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
58–73 cm. Een slanke aalscholver met een dunne hals, een vrij kleine kop en een lange staart. Volwassen vogels zijn zwart met een groenige tot bronzen glans en grijsbruine, zwart gezoomde veren op mantel en vleugeldekveren. De kale keelhuid is dofgeel tot bruingeel en loopt achteraan uit in een punt; in het broedkleed is die huid omzoomd door een dunne witte rand en staan er fijne witte pluimpjes op kop en hals. Het oog is blauwgroen. Jonge vogels zijn bruin, van onderen lichter, soms vrijwel witachtig op hals en borst. Vliegt met gestrekte hals en snelle slagen, vaak in lijnen of V-formaties laag boven het water.
Verwarringssoorten
De geoorde aalscholver Nannopterum auritum is groter en zwaarder, met een kortere staart, een dikkere snavel en een oranjegele keelhuid die achteraan afgerond is, zonder witte rand; in vlucht is de hals geknikt. De Amerikaanse slangenhalsvogel Anhinga anhinga heeft een dolkvormige, spitse snavel, een veel dunnere hals, zilverwitte vlekken op de vleugels en een lange, waaiervormige staart; hij zwemt vaak met alleen kop en hals boven water en zweeft hoog op thermiek.
Leefgebied
Vrijwel elk open water: meren, stuwmeren, rivieren, lagunes, estuaria, mangrove, zoutpannen en kustwateren, maar ook visvijvers, rijstvelden en stadsparken met water; van zeeniveau tot boven 2500 m. Vist duikend, vaak in groepen die samen een school vis opdrijven. Broedt in kolonies in bomen en struiken boven of bij het water, vaak samen met reigers en ibissen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In het hele gidsgebied: in Mexico van Sonora, Chihuahua en Tamaulipas zuidwaarts, met uitzondering van het grootste deel van Baja California en de droogste hoogvlakten, en verder in heel Midden-Amerika tot Panama, aan beide kusten en in het binnenland. De vogels in het gidsgebied behoren tot de ondersoort N. b. mexicanum. Buiten het gidsgebied in het zuiden van de Verenigde Staten, op Cuba en de Bahama's en in heel Zuid-Amerika tot Vuurland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De soort is op vrijwel elk meer en elke kustlagune te vinden; groepen zitten graag op meerpalen, steigers en kale takken boven het water. Let bij aalscholvers op een rij op de lengte van de staart en de vorm en kleur van de keelhuid om ze van geoorde aalscholvers te onderscheiden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het gidsgebied algemeen en plaatselijk talrijk; de soort profiteert van stuwmeren en visvijvers. Vissers zien de vogels soms als concurrent, en kolonies zijn gevoelig voor verstoring en het kappen van oeverbos.
Wetenschappelijke naam
Nannopterum brasilianum | (Gmelin, 1789) (GBIF: Phalacrocorax brasilianus)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria brasiliana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nannopterum werd in 1899 ingevoerd door Sharpe. Nannopterum is Grieks, van nannos 'dwerg' en pteron 'vleugel', naar de stompe vleugels van de vliegonbekwame Galápagosaalscholver waarvoor het geslacht werd opgericht. brasilianum betekent 'Braziliaans', naar Brazilië, waar Willem Piso de vogel beschreef die aan Gmelins naam ten grondslag lag. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië (niet nader bepaald).





