Alle soorten › Genten en aalscholvers
Genten en aalscholvers | Suliformes
Gannets and cormorants | Alcatraces y cormoranes
Genten, aalscholvers, slangenhalsvogels en fregatvogels: vogels die hun voedsel duikend of stotend uit het water halen. Alle vier de tenen zijn door zwemvliezen verbonden — ook de achterteen, die naar voren is gedraaid om mee te doen — en de uitwendige neusgaten zijn dichtgegroeid, zodat de vogel door de bek ademt en bij het te water gaan geen water binnenkrijgt. De keelhuid is onbevederd en rekbaar, zodat een grote vis in één keer naar binnen kan, en klieren boven de ogen scheiden het zeezout uit dat daarbij mee naar binnen gaat. Ze broeden in dichte kolonies en hebben geen broedvlek: de eieren worden warm gehouden onder de sterk doorbloede zwemvliezen, en de jongen komen naakt en hulpeloos uit het ei en blijven lang op het nest. Aan de westkust zijn de kolonies geheel afhankelijk van de sardien- en ansjovisscholen die de koude opwelling daar voedt, en lopen de aantallen mee met de verplaatsingen van die vis.
Families in deze orde
- Fregatvogels | Fregatidae2 soortenEen familie van vijf tropische zeevogels, waarvan er twee in Mexico en Midden-Amerika voorkomen. De Amerikaanse fregatvogel is langs beide kusten algemeen en broedt in kolonies op eilanden en in mangroven, onder meer op Isla Isabel voor de kust van Nayarit; de grote fregatvogel broedt op afgelegen eilanden in de Grote Oceaan, zoals Isla del Coco, en is elders schaars. Fregatvogels hebben de grootste vleugeloppervlakte ten opzichte van hun gewicht van alle vogels: lange, smalle, gehoekte vleugels en een diep gevorkte staart. Op opstijgende lucht stijgen ze hoog op en glijden ze lange afstanden uit, soms wekenlang zonder te landen. Het verenkleed is niet waterafstotend en de poten zijn kort en zwak, zodat ze niet kunnen zwemmen en niet van het water opstijgen. Ze grijpen vliegende vissen en inktvissen al vliegend van het wateroppervlak en achtervolgen genten, sterns en meeuwen tot die hun buit loslaten. In de kolonie blazen mannetjes een felrode keelzak op en trillen ze met de gespreide vleugels om overvliegende vrouwtjes te lokken. Het ene jong vliegt pas na vijf à zes maanden uit en wordt daarna nog lang door de ouders gevoerd, zodat veel vogels maar eens per twee jaar broeden.
- Genten | Sulidae7 soortenGrote zeevogels met een sigaarvormig lijf, lange spitse vleugels en een wigvormige staart; de zware kegelvormige snavel heeft geen haak, maar wel fijn gezaagde snijranden die een gladde vis vasthouden. De ogen staan ver naar voren en geven het dieptezicht dat de stootduik vraagt: van tien tot dertig meter hoogte valt de vogel met de vleugels naar achteren het water in, waarbij luchtzakken onder de huid van kop, hals en borst de klap opvangen. Boven de koude opwelling langs de westkust jagen ze in dichte zwermen op de scholen sardien en ansjovis, samen met zeehonden, dolfijnen en pijlstormvogels. De gent broedt in kolonies van tienduizenden paren op enkele rotseilanden en guano-platformen, met één ei per jaar op een opgehoogde nestkom van uitwerpselen en wier, terwijl de genten van het geslacht Sula in de tropische wateren rond de oostelijke kusten en eilanden losser en in kleinere aantallen nestelen. Het jong komt zwart en naakt uit het ei en heeft drie tot vier jaar nodig voor het volwassen kleed.
- Slangenhalsvogels | Anhingidae1 soortEen kleine familie van vier soorten in tropische en subtropische zoete wateren. In Mexico en Midden-Amerika leeft alleen de Amerikaanse slangenhalsvogel, in het laagland langs beide kusten, in moerassen, rivieren, lagunes en mangroven. Hij lijkt op een aalscholver met een slanker lichaam, een lange, waaiervormige staart en een zeer lange, dunne hals; het mannetje is zwart met zilverwitte tekening op de vleugels, het vrouwtje heeft een lichtbruine kop, hals en borst. Een bijzonder scharnier tussen de achtste en negende halswervel laat de gebogen hals als een veer naar voren schieten, en met de rechte, dolkscherpe snavel spiest de vogel zo onder water een vis, die hij aan de oppervlakte losschudt, opgooit en met de kop voorop doorslikt. Hij zwemt vaak diep weggezonken, met alleen de kronkelende kop en hals boven water. Doordat de veren water doorlaten moet hij na het jagen lang met gespreide vleugels op een tak zitten om te drogen en op te warmen. In de vlucht wisselt hij klapwieken af met zweven, en op thermiek cirkelt hij hoog als een kleine roofvogel. Slangenhalsvogels broeden in bomen boven het water, vaak tussen aalscholvers en reigers.
- Aalscholvers | Phalacrocoracidae4 soortenLanggerekte, donkere watervogels met een lange hals en een snavel die aan de punt scherp gehaakt is: de vis wordt vastgegrepen, niet gespietst. Ze duiken vanaf het wateroppervlak en zwemmen onder water met beide voeten tegelijk; de poten staan ver naar achteren, waardoor lopen moeizaam gaat, en de stugge wigvormige staart doet dienst als roer. Het verenkleed laat zich deels doordrenken, wat het drijfvermogen vermindert maar de vogel dwingt na het vissen met halfgespreide vleugels te drogen — de houding waaraan de hele familie te herkennen is. Het nest van takken of wier staat in kolonieverband op rotsen, in bomen of in riet; drie tot vier bleekblauwe eieren onder een krijtachtige laag, en naakte jongen die na enkele dagen zwart dons krijgen.