Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Bisschopskwartelduif

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Duiven, toerako's en verwanten Columbaves › Duiven en zandhoenders Columbimorphae

Bisschopskwartelduif | Geotrygon violacea

Violaceous Quail-Dove | Paloma perdiz violácea

De bisschopskwartelduif is een schaarse, schuwe kwartelduif van vochtig laagland- en heuvelbos in het zuidoosten van het gidsgebied, van Nicaragua tot Panama. Het mannetje valt op door een bleek gezicht en een violet glanzende nek en mantel, waaraan de soort zijn naam dankt. Buiten het gidsgebied komt hij verspreid voor in Zuid-Amerika.

Bisschopskwartelduif (Geotrygon violacea)
Foto: Sidnei Dantas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, zacht en laag hoe of woe, met korte tussenpozen lang herhaald, vaak vanaf een lage tak. Het geluid is zwak en draagt niet ver.

Luister: ZangXC1075132

Opname: Fernando Igor de Godoy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–25 cm, gedrongen en kortstaartig. Het mannetje heeft een witachtig voorhoofd en gezicht zonder streep of baardstreep, een grijze kruin en een nek en mantel met een sterke violette tot amethistkleurige glans. Rug en vleugels zijn roodbruin, de borst is bleek grijs-wijnrood, de buik en onderstaartdekveren witachtig. Snavel en poten zijn rood. Het vrouwtje is doffer, met minder glans op nek en mantel, een bruinere rug en een grauwere borst. In de vlucht is de ondervleugel roodbruin.

Verwarrings­soorten

De rosse kwartelduif Geotrygon montana heeft een lichte streep onder het oog met een roodbruine baardstreep, een roodbruine tot okerkleurige onderkant en geen witachtige buik. De veraguakwartelduif Leptotrygon veraguensis is donker olijfbruin met een brede witte streep onder het oog en een zwarte snavel. Duiven van het geslacht Leptotila, zoals de grijskopduif Leptotila plumbeiceps, zijn langer gestaart, hebben witte staarthoeken en een donkere snavel.

Leefgebied

De bodem en ondergroei van vochtig laaglandbos, heuvelbos en galerijbos, ook halfgroenblijvend bos en oud secundair bos; van zeeniveau tot ongeveer 1000 m. Leeft alleen of in paartjes, meestal in dichte, schaduwrijke delen van het bos, en zoekt daar afgevallen zaden en vruchten. Het nest is een los platform van takjes in een struik of jonge boom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Schaars en plaatselijk aan de Caribische kant van Nicaragua en Costa Rica, en verspreid in Panama, waar hij aan beide kanten van het land voorkomt, onder meer in het gebied rond het kanaal en in Darién. Buiten het gidsgebied verspreid in Zuid-Amerika, van Colombia en Venezuela tot Bolivia, Paraguay, het zuidoosten van Brazilië en het noordoosten van Argentinië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een moeilijke soort, die meestal toevallig wordt gezien wanneer een vogel van een bospad opvliegt of stil op een lage tak zit. De kans is het grootst in het gebied rond het Panamakanaal, vroeg in de ochtend, wanneer stilstaan en luisteren naar het zachte hoe meer oplevert dan doorlopen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het gidsgebied zeldzaam en slecht bekend. De soort is afhankelijk van ongestoord laaglandbos en gaat plaatselijk achteruit door ontbossing.

Wetenschappelijke naam

Geotrygon violacea | (Temminck, 1809)

Temminck beschreef de soort in 1809 als Columba Violacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geotrygon werd in 1847 ingevoerd door Gosse. Geotrygon is Grieks, van gē 'aarde, grond' en trugōn 'tortelduif': 'gronduif'. violacea is Latijn voor 'violet', naar de paarse glans op mantel en rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit waarschijnlijk Amerika (niet nader bepaald).