Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bonapartes strandloper

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Bonapartes strandloper | Calidris fuscicollis

White-rumped Sandpiper | Correlimos culiblanco

De bonapartes strandloper is een langvleugelige strandloper met een smalle witte stuit, die tussen de Noord-Amerikaanse toendra en het zuiden van Zuid-Amerika een van de langste trekroutes van alle steltlopers aflegt. In de herfst trekt hij grotendeels over de Atlantische Oceaan; in het gidsgebied is hij daarom een schaarse doortrekker, vooral in het late voorjaar.

Bonapartes strandloper (Calidris fuscicollis)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, dun, piepend tziet of dziet, als van een vleermuis of een insect.

Luister: ZangXC836099

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–18 cm, slank, met lange vleugels waarvan de punten in zit ver voorbij de staart uitsteken. Snavel kort, recht tot licht neergebogen, zwart met een kleine, lichte, roodbruine basis aan de ondersnavel; poten zwart. In het voorjaar grijsbruin van boven met roestbruine tinten op kruin en schouders en fijne donkere strepen op borst en flanken, die tot ver op de flanken doorlopen; een witte wenkbrauwstreep. In de vlucht een smalle vleugelstreep en een smalle witte band over de stuit, boven een donkere staart.

Verwarrings­soorten

De bairds strandloper Calidris bairdii heeft eveneens lange vleugels, maar is bruiner en buffkleuriger, met een donker midden van de stuit en ongestreepte flanken. De grijze strandloper Calidris pusilla en de Alaskastrandloper Calidris mauri zijn kleiner en gedrongener, met kortere vleugels en een donkere stuit. De steltstrandloper Calidris himantopus heeft ook een witte stuit, maar heeft lange, groenige poten en een langere snavel.

Leefgebied

Slikken, lagunes, zoutpannen, ondergelopen graslanden, rijstvelden en de oevers van meren en vijvers. Foerageert vaak in gemengde groepen met andere strandlopers en loopt daarbij door ondiep water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Schaarse tot zeldzame doortrekker, vooral in het voorjaar langs de Golfkust van Mexico, op het schiereiland Yucatán en langs de Caribische kant van Midden-Amerika; aan de Pacifische kant en in het binnenland zeldzaam. In de herfst wordt de soort in het gidsgebied slechts zelden gezien. Buiten het gidsgebied broedt de soort op de toendra van Alaska en Arctisch Canada en overwintert zij in het zuiden van Zuid-Amerika, vooral in Argentinië, Uruguay en Zuid-Brazilië.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Gemengde groepen strandlopers op de slikken en ondergelopen velden langs de Golfkust zijn in mei het kansrijkst; bij het opvliegen verraadt de smalle witte stuitband de soort, en in zit de lange vleugelpunten.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. Tellingen langs de trekroute en in de overwinteringsgebieden wijzen op een sterke afname. Mogelijke oorzaken zijn het verdwijnen van natte graslanden en pleisterplaatsen langs de trekroute en veranderingen in het arctische broedgebied.

Wetenschappelijke naam

Calidris fuscicollis | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa fuscicollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. fuscicollis verbindt het Latijnse fuscus 'donker, bruin' met -collis '-halzig', dus 'met donkere hals'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.