Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Bronzen heremietkolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Bronzen heremietkolibrie | Glaucis aeneus

Bronzy Hermit | Ermitaño bronceado

De bronzen heremietkolibrie is een kleine heremiet met roestbruine onderdelen en koperachtig bronzen bovendelen, die in het laagland in dichte heliconiabosjes langs rivieren en bosranden leeft. Hij werd vroeger tot de roodborstheremietkolibrie gerekend, die hem in het oosten van Panama vervangt. Zoals andere heremieten verdedigt hij geen territorium, maar vliegt hij een vaste route langs verspreide bloemen.

Bronzen heremietkolibrie (Glaucis aeneus)
Foto: Chloe and Trevor Van Loon — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, doordringend swiep of tsiep, vaak in de vlucht wanneer de vogel langs zijn route schiet. De zang is een korte reeks hoge, dunne tonen.

Luister: ZangXC490039

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm, met een lange, sterk gebogen snavel van ongeveer 3 cm; de bovensnavel is zwart, de ondersnavel geel met een donkere punt. De bovendelen zijn koperachtig bronsgroen, de onderdelen egaal donker roestbruin. De kop toont een donkere oogstreep tussen een lichte streep erboven en een lichte baardstreep. De afgeronde staart is roestbruin met een brede zwarte band voor de witte punten; de middelste pennen zijn bronsgroen. Het vrouwtje is iets doffer.

Verwarrings­soorten

De roodborstheremietkolibrie Glaucis hirsutus in het centrum en oosten van Panama is vrijwel gelijk, maar heeft groenere bovendelen en lichtere, minder donker roestbruine onderdelen; beide soorten overlappen nauwelijks. De bandstaartbaardkolibrie Threnetes ruckeri heeft een zwartachtige keel, een kaneelkleurige borstband, een grijze buik en wit aan de staartbasis. De westelijke langstaartheremietkolibrie Phaethornis longirostris en de kleine streepkeelheremietkolibrie Phaethornis striigularis hebben verlengde, witgetipte middelste staartpennen.

Leefgebied

Dichte heliconiabosjes, ruigte en struweel langs rivieren en beken, bosranden, open plekken en secundair bos in het laagland, en verwaarloosde bananen- en cacaoplantages, van zeeniveau tot ongeveer 700 m. Bezoekt vooral heliconia's en andere bloemen waarvan de kelk past bij de lengte en kromming van de snavel. Het kleine nest hangt aan de onderkant van de punt van een heliconiablad of palmblad, vaak boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Aan de Caribische kant van het oosten van Honduras via Nicaragua en Costa Rica tot het westen van Panama in Bocas del Toro, en aan de Pacifische kant in het zuidwesten van Costa Rica, rond de Golfo Dulce en op het schiereiland Osa, en in Chiriquí. In Costa Rica vrij algemeen, in Honduras en Nicaragua plaatselijk. Buiten het gidsgebied langs de Pacifische kant van Colombia tot het westen van Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij heliconiabosjes langs rivieren en kanalen in de Caribische laaglanden van Costa Rica, zoals rond Tortuguero en Sarapiquí, en op het schiereiland Osa. De vogel keert op zijn route regelmatig terug, zodat wachten bij een bloeiende heliconia de beste kans geeft.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Verdraagt secundair bos, ruigte en verwaarloosde plantages, zolang er heliconia's groeien.

Wetenschappelijke naam

Glaucis aeneus | Lawrence, 1868

Lawrence beschreef de soort in 1868 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Glaucis werd in 1831 ingevoerd door Boie. Glaucis komt van het Griekse glaukos 'blauwgrijs, grijsgroen', naar het doffe, groenachtige verenkleed. aeneus is Latijn voor 'bronzen', naar de bronsgroene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Costa Rica.