Alle soorten › Gierzwaluwachtigen
Gierzwaluwachtigen | Apodiformes
Swifts | Vencejos
Kleine vogels die vrijwel geheel op vliegen zijn gebouwd: het opperarmbeen is uiterst kort en de hand juist lang, zodat de vleugel een smalle, stijve schoep is die vanuit het schoudergewricht wordt aangedreven en in de elleboog nauwelijks buigt. De poten zijn klein en zwak, met korte loopbenen en scherpe nagels; lopen gaat er niet mee, ze dienen om zich aan een verticaal vlak vast te haken. Het energieverbruik is hoog, en zowel jongen als volwassen vogels kunnen bij koud, insectenarm weer hun lichaamstemperatuur laten zakken en in verstijving overgaan tot het weer omslaat. Het legsel is klein en de eieren zijn wit; de jongen komen naakt en hulpeloos uit het ei en blijven naar hun grootte lang op het nest.
Families in deze orde
- Gierzwaluwen | Apodidae16 soortenEen sigaarvormig lijf, lange sikkelvormige vleugels die in de glijvlucht stijf worden gehouden, en een korte staart die recht of gevorkt is; de snavel is klein, maar de bek scheurt tot onder het oog open, zodat de kop zelf het vangnet vormt. Alles gebeurt in de lucht: het vangen van zwevende insecten en spinnen, drinken, baden, het oppikken van nestmateriaal, de paring, en buiten de broedtijd ook het slapen, hoog rondcirkelend. De vangst wordt in de keel met speeksel tot een bal samengeplakt en in één keer aan het jong gegeven; het nest is een ondiepe kom van uit de lucht opgevangen materiaal, eveneens met speeksel vastgezet, in een spleet, onder een dakpan of in een schoorsteen. Eén tot drie witte eieren, een lange nestperiode, en een jong dat het nest met een volgroeide vleugel verlaat en van dat ogenblik af zelfstandig is; de vier korte tenen dragen sterke haaknagels en kunnen bij veel soorten alle vier naar voren worden gericht.
- Kolibries | Trochilidae108 soortenMet ruim honderd soorten in bijna vijftig geslachten zijn de kolibries een van de rijkste families van Mexico en Midden-Amerika, aanwezig van woestijnstruweel en tuinen tot nevelwoud en hooggebergte; de heremietkolibries leven in de schaduw van de regenwoudonderlaag, de meeste andere soorten in open bos, randen en bloeiende kruinen. Het zijn de kleinste vogels ter wereld, met een naaldvormige snavel en een lange, aan de punt gespleten tong waarmee ze nectar oplikken. De vleugel draait vrijwel alleen vanuit de schouder, zodat ze stil kunnen hangen en zelfs achteruit vliegen, met tientallen slagen per seconde. Dat vraagt een uitzonderlijk hoge stofwisseling; 's nachts kunnen ze in een toestand van verstijving de lichaamstemperatuur laten zakken om energie te sparen. Naast nectar eten ze kleine insecten en spinnen, de belangrijkste eiwitbron voor de jongen. De poten zijn zo klein dat ze niet lopen, alleen zitten. Bij veel soorten heeft het mannetje een metaalglanzende keel of kruin die alleen onder de juiste hoek oplicht. Het vrouwtje bouwt alleen een piepklein kommetje van plantenpluis en spinrag, vaak bekleed met korstmos, en legt twee witte eieren. Verscheidene Noord-Amerikaanse soorten overwinteren in het gebied.