Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Fazantkoekoek

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Duiven, toerako's en verwanten Columbaves › Trappen, toerako's en koekoeken Otidimorphae

Fazantkoekoek | Dromococcyx phasianellus

Pheasant Cuckoo | Cuclillo faisán

De fazantkoekoek is een schuwe, op de grond levende koekoek van de bosbodem, met een kleine kop, een smalle hals en een opvallend lange, brede staart, waaraan hij zijn naam dankt. Hij komt verspreid voor van het zuiden van Mexico tot Panama, maar is overal schaars en wordt vooral op de roep vastgesteld. Net als de gestreepte koekoek is hij een broedparasiet.

Fazantkoekoek (Dromococcyx phasianellus)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit twee heldere, fluitende tonen gevolgd door een trillende roller, poe-pie-prrrr, of uit drie fluittonen zonder roller; vaak uren herhaald vanaf een verborgen zitplaats, vooral in de schemering en 's nachts, in het broedseizoen. Een roepende vogel is buikspreekachtig en lastig te vinden.

Luister: ZangXC1182223

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

35–38 cm, waarvan meer dan de helft staart. De bovendelen zijn donker bruin met lichte, okerkleurige randen aan de veren, waardoor rug en vleugels geschubd lijken. De kruin draagt een korte, roestbruine kuif; een lichte, okerkleurige streep loopt achter het oog. Keel en borst zijn okerkleurig met zwarte vlekken en streepjes, de buik is wit. De staart is lang, breed en getrapt, donker met witte toppen; de bovenstaartdekveren zijn sterk verlengd, reiken tot ver over de staart en hebben lichte toppen. De snavel is kort en donker. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn egaler donkerbruin met minder tekening op de borst.

Verwarrings­soorten

De gestreepte koekoek Tapera naevia is kleiner en lichter, met gestreepte bovendelen, een ongetekende borst en een smallere staart, en leeft in open land. De eekhoornkoekoek Piaya cayana is effen kastanjebruin met een grijze buik en een gele snavel. De roodbuikgrondkoekoek Neomorphus geoffroyi is veel groter, met een donkere kuif, een geschubde borstband en een roestbruine buik.

Leefgebied

Het binnenste en de randen van droog en vochtig laaglandbos en voetheuvelbos, ook dicht secundair bos en bamboe- en lianengewas; van zeeniveau tot ongeveer 1500 m. Loopt over de bosbodem en door het lage struikgewas en vangt grote insecten, ook hagedissen en jonge vogels. Het vrouwtje legt haar eieren in nesten van kleine zangvogels, voor zover bekend vooral tirannen; het jong wordt door de waardvogel grootgebracht.

Verspreiding en trek

Verspreid en schaars van het zuiden van Mexico, in Oaxaca, Veracruz, Tabasco, Chiapas en het schiereiland Yucatán, door Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua tot in Costa Rica en Panama; in Costa Rica vooral aan de Pacifische kant in het noordwesten. Buiten het gidsgebied in Zuid-Amerika tot in Bolivia, Paraguay en het noordoosten van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de schemering en vroeg in de nacht tijdens het regenseizoen is de roep in geschikt bos het best te horen. Een roepende vogel zit vaak op enkele meters hoogte op een tak en zwiept de lange staart heen en weer; bij voorzichtig naderen blijft hij soms lang zitten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied, maar is overal schaars en is gevoelig voor de kap van laaglandbos. In het gidsgebied vooral bekend uit grote bosgebieden zoals die van het schiereiland Yucatán en het noorden van Guatemala.

Wetenschappelijke naam

Dromococcyx phasianellus | (Spix, 1824)

Spix beschreef de soort in 1824 als Macropus phasianellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dromococcyx werd in 1832 ingevoerd door Wied-Neuwied. Dromococcyx is Grieks, van dromos 'loper' en kokkux 'koekoek': 'loopkoekoek'. phasianellus is nieuw-Latijn voor 'fazantje', naar de lange, fazantachtige staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tonantins, Amazonas, Brazilië.