Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Fluitreiger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Fluitreiger | Syrigma sibilatrix

Whistling Heron | Garza chiflona

De fluitreiger is een middelgrote reiger met een blauwgrijze rug, een goudgele hals en borst en een roze snavel. Anders dan de meeste reigers zoekt hij zijn voedsel vooral in grasland, en zijn fluitende roep is ver te horen. In het gidsgebied is hij een schaarse standvogel in Panama, waar hij zich sinds ongeveer 2010 heeft gevestigd.

Fluitreiger (Syrigma sibilatrix)
Foto: Pedro Szekely from Los Angeles, USA — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, fluitend, licht klagend kliieer-er, vaak in vlucht en bij het opvliegen; ook schorre alarmroepen.

Luister: ZangXC777737

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

53–64 cm. Een vrij compacte reiger met een korte hals en korte poten. De bovendelen zijn blauwgrijs, kop, hals en borst goudgeel tot bleek okerkleurig, en de buik is wit. De vleugeldekveren zijn geelbruin met donkere streepjes. De vogels in het noorden van Zuid-Amerika en Panama hebben een leigrijze kruin en kuif. Rond het oog zit blauwe naakte huid. De snavel is roze met een blauwpaarse basis en een zwarte punt, de poten zijn groenig. In de vlucht vallen de witte stuit en staart op; de vleugelslag is snel en ondiep, anders dan bij andere reigers. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De combinatie van een blauwgrijze rug, een gele hals en een roze snavel komt bij geen andere reiger in het gidsgebied voor. De koereiger Ardea ibis, die in hetzelfde soort weiland foerageert, is wit, in het broedkleed met oranjebruine pluimen, en heeft een gele snavel. De kapreiger Pilherodius pileatus is wit, met een zwarte kap en een blauwe snavel.

Leefgebied

Open grasland, weiden, natte en overstroomde savanne en randen van vijvers en sloten, vaak in een landschap met losse bomen of bosjes waarin hij rust en overnacht. In Panama vooral in veeteeltland, rijstvelden en bij vijvers in het Pacifische laagland. Jaagt alleen of in paren op insecten, kikkers en andere kleine dieren, staand, langzaam lopend of met korte sprints. Broedt alleen, niet in kolonies, in bomen.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in Panama, vooral in het Pacifische laagland van het oosten van de provincie Panamá rond Chepo, en westwaarts langs de kust tot Coclé en Los Santos; enkele waarnemingen ook in Colón. De eerste waarnemingen dateren van rond 2010; sindsdien is de soort toegenomen. In Costa Rica zijn enkele dwaalgasten gezien. Buiten het gidsgebied in twee gescheiden gebieden: in de llanos van Colombia en Venezuela, en in het zuiden van Zuid-Amerika, van Bolivia en het zuiden van Brazilië tot Uruguay en het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rond Chepo, onder meer langs de weg naar Finca Tanara, en bij de plassen van Malibú bij Nueva Gorgona wordt de soort het vaakst gezien. Hij zit vaak in een losse boom aan de rand van een weide of loopt in kort gras; in vlucht verraadt de fluitende roep hem.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied een recente kolonist met een kleine populatie in Panama, die sinds de eerste waarnemingen is gegroeid. De omzetting van bos in weiland komt de soort waarschijnlijk ten goede.

Wetenschappelijke naam

Syrigma sibilatrix | (Temminck, 1824)

Temminck beschreef de soort in 1824 als Ardea sibilatrix; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Syrigma werd in 1878 ingevoerd door Ridgway. Syrigma is Grieks voor 'gefluit', van surizō 'fluiten', naar de fluitende roep. sibilatrix is Latijn voor 'fluitster', van sibilare 'fluiten', naar de fluitende roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië en Paraguay.