Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Kapreiger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Kapreiger | Pilherodius pileatus

Capped Heron | Garza capirotada

De kapreiger is een middelgrote, witte reiger met een zwarte kap, lange witte nekpluimen en een helderblauwe snavel en gezichtshuid. Hij leeft alleen of in paren langs beken, vijvers en moerassen in en bij bos, en broedt niet in kolonies. In het gidsgebied is hij een plaatselijke standvogel van het laagland van het midden en oosten van Panama.

Kapreiger (Pilherodius pileatus)
Foto: Bernard DUPONT — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij verstoring en in vlucht soms een zacht, kort, herhaald gekwaak.

Luister: ZangXC478228

Opname: Jerome Fischer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

51–59 cm. Een vrij gedrongen reiger met een middellange hals en korte, blauwgrijze poten. Het verenkleed is wit, met een zwarte kruin en twee of drie lange, smalle witte nekpluimen. Hals, borst en buik hebben bij volwassen vogels een lichte roomgele tot okerkleurige waas. De snavel en de naakte huid van teugel en gezicht zijn helder kobaltblauw. Jonge vogels hebben een grijzere kruin en kortere nekpluimen. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse kleine zilverreiger Egretta thula is slanker, met een zwarte snavel, zwarte poten met gele voeten en geen zwarte kap. De grote zilverreiger Ardea alba is veel groter, met een lange hals en een gele snavel. De koereiger Ardea ibis heeft een korte gele snavel en mist de zwarte kap. Jonge kleine blauwe reigers Egretta caerulea zijn wit, met donkere vleugelpunten en een grijsblauwe snavel met zwarte punt. De combinatie van een blauwe snavel, blauwe gezichtshuid en een zwarte kap komt bij geen andere witte reiger in het gidsgebied voor.

Leefgebied

Beken, smalle rivieren, vijvers, plassen en moerassen in of bij laaglandbos, ook overstroomde weiden en bosranden; vrijwel altijd bij zoet water. Jaagt alleen, geduldig staand of langzaam lopend in ondiep water, op vis, kikkers en grote insecten. Broedt alleen, niet in kolonies, in bomen of struiken bij het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in Panama: in het laagland van het Kanaalgebied en de provincie Colón, oostwaarts via het gebied rond Chepo en de vallei van de Bayano tot in Darién, waar de soort het meest voorkomt. Buiten het gidsgebied in het noorden en westen van Colombia en in tropisch Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, zuidelijk tot Bolivia, Paraguay en het zuiden van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het Kanaalgebied wordt de soort geregeld gezien bij de vijvers van Ammo Dump bij Gamboa en langs de Pipeline Road; in Darién langs rivieren en plassen bij Yaviza en langs de Río Tuquesa. Hij staat vaak stil in de schaduw aan een oever en verraadt zich dan door de witte kleur.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied schaars en plaatselijk, beperkt tot het midden en oosten van Panama, en gevoelig voor ontbossing en ontwatering van moerassen in het laagland.

Wetenschappelijke naam

Pilherodius pileatus | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Ardea pileata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pilherodius werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Pilherodius combineert Latijn pileus 'kap' met Grieks erōdios 'reiger': 'kapreiger', naar de zwarte kruin. pileatus is Latijn voor 'met een kap', naar de zwarte kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.