Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Geelbuikschoffelsnavel

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Geelbuikschoffelsnavel | Todirostrum cinereum

Common Tody-Flycatcher | Espatulilla común

De geelbuikschoffelsnavel is een klein, actief tirannetje met een lange, platte snavel, een donkere kop, een lichte iris en een helder gele onderzijde. Hij beweegt zich vaak zijwaarts over takjes en zwaait daarbij met de schuin opgestoken staart. In het gidsgebied is hij wijdverbreid van het zuiden van Mexico tot Panama en een van de gewoonste tirannen van tuinen en bosranden.

Geelbuikschoffelsnavel (Todirostrum cinereum)
Foto: Félix Uribe from Rionegro, Antioquia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, droge triller en reeksen scherpe, tikkende tik-tonen; ook een snel, hoog getsjilp.

Luister: ZangXC1086414

Opname: Fernando Igor de Godoy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9–10 cm. Voorhoofd en gezicht zwart, overgaand in een donkergrijze kruin en grijze nek; rug olijfgroen. Vleugels zwart met gele randen aan dekveren en tertials. Staart zwart, getrapt, met witte punten aan de buitenste veren, vaak opgestoken. Onderdelen geheel helder geel, de keel soms iets bleker. Iris lichtgeel tot witachtig. Snavel lang, recht en plat, zwart. Geslachten gelijk.

Verwarrings­soorten

De zwartkopschoffelsnavel Todirostrum nigriceps heeft een glanzend zwarte kop, een witte keel, een donkere iris en een kortere staart, en leeft vooral in de kronen van bos. De grijskeelschoffelsnavel Poecilotriccus sylvia heeft een witte teugel en oogring, duidelijke gele vleugelstrepen en een grijswitte in plaats van gele onderzijde. Breedbektirannen (Tolmomyias) zijn groter, met een bredere snavel en een olijfgroene kop.

Leefgebied

Bosranden, secundaire begroeiing, struikgewas, tuinen, parken, plantages, weiland met bomen en galerijbos, ook aan randen van mangroven; van het laagland tot ongeveer 1500 m. Zoekt in paren insecten aan de onderkant van bladeren. Bouwt een hangend, peervormig nest met een ingang aan de zijkant.

Verspreiding en trek

Van het zuiden van Mexico (zuidelijk Veracruz en Oaxaca en verder naar het zuiden) door heel Midden-Amerika tot Panama, aan beide kanten van het gebergte. Buiten het gidsgebied over een groot deel van tropisch Zuid-Amerika tot in Bolivia en het zuidoosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Gemakkelijk te zien in tuinen, hotelterreinen en parken in het laagland, bijvoorbeeld rond de Panamese hoofdstad en in Costa Rica. Let op het zijwaartse geschuifel over takjes en de bewegende, opgestoken staart.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverbreid; profiteert van open, halfopen en door mensen veranderd terrein.

Wetenschappelijke naam

Todirostrum cinereum | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Todus] cinereus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Todirostrum werd in 1831 ingevoerd door Lesson. Todirostrum combineert het geslacht Todus (todie) met Latijn rostrum 'snavel', naar de lange, platte, todie-achtige snavel. cinereum is Latijn voor 'asgrijs', naar de grijze rug en kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.