Alle soorten › Zangvogels › Bekardes en tityra's › Geelpluimtreurtiran
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Geelpluimtreurtiran | Laniocera rufescens
Speckled Mourner | Plañidera moteada
De geelpluimtreurtiran is een roodbruine, onopvallende vogel van het middenniveau van vochtig laaglandbos. Hij zit lang stil en wordt meestal pas opgemerkt aan zijn aanhoudende, fluitende zang. Kenmerkend zijn de rijen kaneelkleurige vlekken op de donkere vleugeldekveren. In het gidsgebied leeft hij van het zuidoosten van Mexico tot Panama.
Geluid
Een lange, gelijkmatige reeks hoge, heldere tweetonige fluittonen, ongeveer tie-jur tie-jur tie-jur, die minutenlang kan doorgaan en moeilijk te lokaliseren is. Mannetjes zingen vaak op vaste plekken op enige afstand van elkaar.
Opname: Francis Canto Jr — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
20–21 cm. Bovendelen warm roodbruin, onderdelen lichter kaneelbruin, op de borst vaak met vage donkere schubjes of bandjes. De vleugeldekveren zijn donker met kaneelkleurige tot roodbruine punten, waardoor twee of drie rijen vlekken ontstaan. Aan de zijkant van de borst een gele veerpluim, die meestal grotendeels onder de vleugel verborgen blijft en vooral bij het mannetje opvalt. Grote donkere ogen en een vrij brede, donkere snavel. Jonge vogels zijn sterker geschubd.
Verwarringssoorten
De rosse treurtiran Rhytipterna holerythra is egaal roodbruin, zonder vlekken op de vleugels, en heeft een slankere bouw. De rosse piha Lipaugus unirufus is groter en eveneens egaal roodbruin. De kaneelbekarde Pachyramphus cinnamomeus is kleiner, met een donkere teugel en ongevlekte vleugels.
Leefgebied
Middenniveau en lage kronen van het binnenste van vochtig, altijdgroen laagland- en voetheuvelbos, meestal beneden ongeveer 800 m; minder in hoog secundair bos. Eet grote insecten en vruchten. Zit lang stil op een tak en vliegt dan kort uit om een prooi of vrucht te pakken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Zuidoosten van Mexico, door Guatemala, Belize, Honduras en Nicaragua, vooral aan de Caribische kant, tot Costa Rica en Panama. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia en het noordwesten van Ecuador.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best te vinden op de zang: een eindeloos herhaald, tweetonig fluitje in het binnenste van groot laaglandbos. Daarna geduldig het middenniveau afzoeken naar een stilzittende roodbruine vogel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Vrij schaars en gemakkelijk over het hoofd gezien; afhankelijk van groot, aaneengesloten laaglandbos en daardoor gevoelig voor ontbossing.
Wetenschappelijke naam
Laniocera rufescens | (Sclater, 1858)
Sclater beschreef de soort in 1858 als Lipaugus rufescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Laniocera werd in 1841 ingevoerd door Lesson. Laniocera combineert Lanius (klauwier) met Grieks keras 'hoorn', hier 'snavel': een vogel met een klauwierachtige snavel. rufescens is Latijn voor 'roodachtig' (rufescere 'roodachtig worden'), naar het roestbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cobán, Alta Verapaz, Guatemala.


