Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Gestreepte tiran

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Gestreepte tiran | Myiodynastes maculatus

Streaked Flycatcher | Papamoscas rayado

De gestreepte tiran is een forse, sterk gestreepte tiran met een roodbruine staart, die vaak hoog in bosranden en halfopen terrein met hoge bomen zit en in boomholten broedt. In het gidsgebied leeft hij van het oosten van Mexico tot Panama; de vogels in het noordelijke deel zijn zomergasten die in Zuid-Amerika overwinteren.

Gestreepte tiran (Myiodynastes maculatus)
Foto: Dario Sanches from São Paulo, Brazil — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, piepend kie-zik of kie-zie-ik, vaak herhaald, en bij zonsopgang een zachtere zang van enkele heldere tonen.

Luister: RoepXC1178854

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

19–22 cm, met een grote kop en een zware snavel, waarvan de ondersnavel aan de basis vleeskleurig is. Bovendelen bruin met donkere strepen; stuit en staart roodbruin, de staartpennen met donkere middens. Kop met een witachtige wenkbrauwstreep, een brede donkere oogstreep, een witachtige streep onder het oog en een donkere baardstreep; een verborgen gele kruinvlek. Onderdelen witachtig tot zeer lichtgeel, met dichte donkere strepen op keel, borst en flanken. Vleugelveren met lichte randen. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De zwavelbuiktiran Myiodynastes luteiventris lijkt sterk, maar heeft een geheel donkere snavel, een zwarte baardstreep die onder de kin samenkomt, een donkerder masker en een gelere buik. De piraattiran Legatus leucophaius is veel kleiner, met een korte snavel, een ongestreepte rug en geen roodbruin in de staart. De goudbuiktiran Myiodynastes hemichrysus (bergbos van Costa Rica en het westen van Panama) heeft een heldergele, nauwelijks gestreepte buik.

Leefgebied

Bosranden, open plekken en galerijbos in vochtig en halfvochtig laaglandbos, secundair bos, plantages en halfopen terrein met hoge bomen, meestal in het laagland en de voetheuvels. Zit vaak stil op een half beschutte tak in de kruin. Eet grote insecten en ook veel vruchten. Nestelt in een boomholte, vaak een oud spechtenhol.

Verspreiding en trek

Broedt aan de Atlantische kant van Mexico vanaf het zuiden van Tamaulipas en San Luis Potosí tot het schiereiland Yucatán, en verder door Belize, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Costa Rica tot Panama, vooral aan de Caribische kant; in Costa Rica en Panama ook aan de Pacifische kant. Buiten het gidsgebied in een groot deel van tropisch Zuid-Amerika, tot in het noorden van Argentinië; de noordelijke broedvogels overwinteren in Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Valt het meest op door zijn scherpe roep vanaf een hoge tak aan een bosrand; in het broedseizoen zit hij vaak in de buurt van een geschikte boomholte.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Vrij algemeen in bosranden en halfopen terrein; in het noordelijke deel van het gidsgebied alleen in het broedseizoen aanwezig.

Wetenschappelijke naam

Myiodynastes maculatus | (Müller, 1776)

Müller beschreef de soort in 1776 als Muscicapa maculata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiodynastes werd in 1857 ingevoerd door Bonaparte. Myiodynastes is Grieks, van muia 'vlieg' en dunastēs 'heerser': 'vliegenheerser'. maculatus is Latijn voor 'gevlekt', naar de zwaar gestreepte borst en rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.