Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Grijskopdwerguil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Grijskopdwerguil | Glaucidium griseiceps

Central American Pygmy Owl | Tecolote mesoamericano

De grijskopdwerguil is een zeer kleine dwerguil van vochtig laaglandbos, van het zuidoosten van Mexico tot in het noordwesten van Zuid-Amerika. Hij leeft hoog in de boomkruinen en is daardoor moeilijk te zien; meestal wordt hij opgemerkt aan de zang, die ook overdag te horen is. Vroeger werd hij tot de kleinste dwerguil Glaucidium minutissimum gerekend.

Grijskopdwerguil (Glaucidium griseiceps)
Foto: (c) Roger A. Morales-Flores, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van enkele tot ongeveer tien holle, fluitende toeten, toe-toe-toe-toe, langzamer en korter dan de lange reeksen van de Braziliaanse dwerguil; na een pauze wordt de reeks herhaald. Zingt vaak overdag, ook midden op de dag.

Luister: ZangXC694953

Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm, met een ronde kop zonder oorpluimen, gele ogen en een vrij korte staart. De kop is grijs tot grijsbruin met fijne witte stippen op kruin en voorhoofd en steekt af tegen de warmbruine rug. Op het achterhoofd zitten valse ogen. De staart is donkerbruin met twee of drie onderbroken witte banden. De onderdelen zijn wit, met roodbruine borstzijden en roodbruine strepen op de flanken.

Verwarrings­soorten

De Braziliaanse dwerguil Glaucidium brasilianum is iets groter, heeft een bruine kop met fijne lichte strepen in plaats van stippen en meer staartbanden, en leeft vooral in drogere en opener landschappen; zijn zang is een lange, snelle reeks van tientallen toeten. De Costaricaanse dwerguil Glaucidium costaricanum leeft hoger in de bergen, heeft een bruine kop en meer staartbanden. De bergdwerguil Glaucidium gnoma leeft in pijn-eikenbos in de bergen.

Leefgebied

Vochtig altijdgroen laaglandbos en heuvelbos, ook oud secundair bos, bosranden en schaduwcacao en -koffie; van zeeniveau tot ongeveer 1300 m. Houdt zich meestal in de bovenste boomlagen op. Broedt in spechtenholen. Jaagt op grote insecten, kleine vogels en hagedissen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Standvogel in het vochtige laagland van het zuidoosten van Mexico, in het zuiden van Veracruz, Oaxaca en Chiapas, en verder in Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua, vooral aan de Caribische kant, en in Costa Rica en Panama aan beide kanten van de bergen. Buiten het gidsgebied in het noordwesten van Colombia en het westen van Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Wordt het vaakst gehoord in laaglandbos aan de Caribische kant, zoals rond La Selva in Costa Rica, langs de Pipeline Road bij het Panamakanaal en in de bossen van Belize. Een groep alarmerende kleine vogels hoog in de kroon wijst vaak op een dwerguil.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar afhankelijk van vochtig bos, dat in grote delen van het verspreidingsgebied is gekapt.

Wetenschappelijke naam

Glaucidium griseiceps | Sharpe, 1875

Sharpe beschreef de soort in 1875 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Glaucidium werd in 1826 ingevoerd door Boie. Glaucidium is het Griekse glaukidion 'uiltje', een verkleinwoord van glaux 'uil'. griseiceps is Latijn, van griseus 'grijs' en -ceps 'gekopt', naar de grijze kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit laagland van Alta Verapaz, Guatemala.