Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Groene draadkolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Groene draadkolibrie | Discosura conversii

Green Thorntail | Colibrí colicerda verde

De groene draadkolibrie is een zeer kleine kolibrie van de vochtige voetheuvels van Costa Rica en Panama. Het mannetje heeft draadvormige, puntige staartpennen die ver achter het lichaam uitsteken. Door de trage, zoemende vlucht en de witte band over de onderrug lijkt een foeragerende vogel eerder op een grote vlinder of pijlstaart dan op een kolibrie.

Groene draadkolibrie (Discosura conversii)
Foto: Kathy & sam — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrij stil. Een zacht, droog tsjit en een fijn getjilp; in de vlucht een laag zoemen van de vleugels.

Luister: VluchtroepXC233973

Opname: Jerome Fischer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

7–8 cm zonder de lange staartpennen; die voegen bij het mannetje ongeveer 3 cm toe. De snavel is kort, recht en zwart. Het mannetje is glinsterend groen, met een smalle witte band over de onderrug, kleine witte pluimpjes aan de flanken en een blauwzwarte staart met stijve, draadvormige punten. Het vrouwtje heeft een korte, licht gevorkte staart met witte toppen; ze is van boven groen met dezelfde witte rugband, van onderen donker zwartachtig met een witte baardstreep en een witte vlek aan de flanken.

Verwarrings­soorten

Kokets, zoals de witkuifkoket Lophornis adorabilis en de vuurkuifkoket Lophornis delattrei, hebben ook een lichte band over de onderrug, maar het mannetje draagt een kuif en heeft een roodbruine staart; vrouwtjes hebben roodbruin in het gezicht of in de staart. De witkruinkolibrie Microchera albocoronata mist de rugband en het mannetje heeft een witte kruin.

Leefgebied

Vochtig heuvel- en voetheuvelbos, vooral in de boomkruinen en langs bosranden en open plekken, en in tuinen met bloeiende struiken bij het bos. Foerageert vaak hoog bij bloeiende bomen en komt laag bij struiken als verbena; hangt met opgeheven staart traag voor de bloemen.

Verspreiding en trek

In Costa Rica vooral op de Caribische helling van de bergen, plaatselijk ook net over de waterscheiding op de Pacifische helling, en in Panama in de voetheuvels van beide hellingen van het westen tot Coclé en de provincie Panamá en in Darién. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia en het westen van Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Costa Rica geregeld bij verbenahagen en bloeiende struiken in tuinen van lodges op de Caribische helling, zoals rond Cinchona, Rancho Naturalista en de omgeving van Sarapiquí; in Panama bijvoorbeeld bij El Valle de Antón en Cerro Azul.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen en komt ook voor in tuinen en randen van cultuurland, maar is afhankelijk van bos in de voetheuvels, dat op veel plaatsen is verdwenen.

Wetenschappelijke naam

Discosura conversii | (Bourcier & Mulsant, 1846)

Bourcier & Mulsant beschreef de soort in 1846 als Trochilus Conversii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Discosura werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte. Discosura is Grieks, van diskos 'schijf' en oura 'staart', naar de schijfvormige staartpunten van sommige soorten. conversii eert M. Convers (werkzaam rond 1845), Franse natuuronderzoeker en verzamelaar in Bogotá (Colombia). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bogotá, Colombia.