Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Groenkapbreedbektiran

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Groenkapbreedbektiran | Tolmomyias sulphurescens

Yellow-olive Flatbill | Mosquero ojo blanco

De groenkapbreedbektiran is een kleine, olijfgroene tiran met een grijze kruin, een brede, platte snavel en bij volwassen vogels een lichte iris. Hij leeft in bosranden, secundair bos en halfopen land met bomen en bouwt een opvallend hangend nest. In het gidsgebied komt hij voor van het zuiden van Mexico tot Panama.

Groenkapbreedbektiran (Tolmomyias sulphurescens)
Foto: Gary L. Clark — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dunne, sissende of zoemende roep, tsziep, vaak in een korte reeks van twee of drie tonen herhaald.

Luister: ZangXC1172863

Opname: Mateus Gonçalves Santos — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Kruin en achterhoofd grijs, rug olijfgroen. Boven de teugel een smalle witachtige streep, rond het oog een dunne lichte ring. Volwassen vogels hebben een lichte, grijze tot witachtige iris. De donkere vleugels hebben twee gele vleugelstrepen en gele randen aan de slagpennen. Keel lichtgrijs, borst grijzig olijf, buik geel. Snavel breed en plat, van boven zwart en van onder licht. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De geelrandbreedbektiran Tolmomyias flavotectus (Costa Rica en Panama) heeft een donkere iris, geen witachtige teugelstreep, gele randen aan de vleugeldekveren in plaats van duidelijke vleugelstrepen en leeft vooral in de kronen van vochtig bos. De brilbreedbektiran Rhynchocyclus brevirostris is groter en gedrongener, met een brede, witte oogring en een donkere iris. De geelbuikelenia Elaenia flavogaster heeft een kuif en een smalle snavel.

Leefgebied

Randen en open plekken in vochtig en droog bos, secundair bos, galerijbos, schaduwkoffie en ander halfopen land met hoge bomen, van het laagland tot ongeveer 1500 m. Zoekt in de middelste en hogere lagen naar insecten, die hij met een korte uitval van bladeren pakt. Bouwt een peervormig hangend nest met een naar beneden gerichte ingangskoker, vaak aan een dunne tak en geregeld in de buurt van een wespennest.

Verspreiding en trek

Van het zuiden van Mexico (vanaf Oaxaca en Veracruz, ook het schiereiland Yucatán) door Belize, Guatemala, El Salvador, Honduras, Nicaragua en Costa Rica tot Panama. Buiten het gidsgebied over een groot deel van Zuid-Amerika, tot in het noorden van Argentinië, en op Trinidad.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hangende, peervormige nest met een ingangskoker aan de onderkant valt vaak eerder op dan de vogel zelf. De lichte iris is op korte afstand een goed kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wijdverbreid en vrij algemeen; verdraagt halfopen en door de mens veranderd landschap, zolang er hoge bomen staan.

Wetenschappelijke naam

Tolmomyias sulphurescens | (Spix, 1825)

Spix beschreef de soort in 1825 als Platyrhynchus sulphurescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tolmomyias werd in 1927 ingevoerd door Hellmayr. Tolmomyias is Grieks, van tolma 'stoutmoedigheid' en muias 'vlieg' (vliegenvanger): 'brutale vliegenvanger'. sulphurescens is nieuw-Latijn voor 'zwavelachtig', van sulphur 'zwavel', naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rio de Janeiro, Brazilië.