Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Grote burgemeester

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Grote burgemeester | Larus hyperboreus

Glaucous Gull | Gaviota hiperbórea

De grote burgemeester is een van de grootste meeuwen en de lichtste daarvan: volwassen vogels hebben geen zwart in de vleugel. Hij broedt rond de hele noordpool en overwintert vooral in koude zeeën. In het gidsgebied is hij een schaarse wintergast, het meest in het noordwesten van Mexico en aan de Golfkust van Tamaulipas, en elders zeldzaam.

Grote burgemeester (Larus hyperboreus)
Foto: Sowls, Art — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, schor kjauw en lachende reeksen, lager en rauwer dan bij de Amerikaanse zilvermeeuw; in de winter weinig roepend.

Luister: VluchtroepXC1173210

Opname: Mats Rellmar — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

64–77 cm. Een grote, zware meeuw met een forse, lange snavel, een platte kop en vleugels die maar kort voorbij de staart uitsteken. Volwassen vogels hebben een zeer lichtgrijze mantel, zuiver witte vleugelpunten, een gele snavel met een rode vlek, roze poten en een licht oog; in de winter zijn kop en hals bruin gevlekt. Jonge vogels in de eerste winter zijn egaal licht beigebruin tot bijna wit, fijn gevlekt, met lichte handpennen en een roze snavel met een scherp afgegrensde zwarte punt.

Verwarrings­soorten

De kleine burgemeester Larus glaucoides is kleiner, met een ronde kop, een kortere snavel en langere vleugels; de vorm thayeri, die in het gidsgebied het meest voorkomt, heeft grijszwarte buitenvlaggen in de vleugelpunt. De beringmeeuw Larus glaucescens heeft grijze vleugelpunten in dezelfde tint als de mantel en jonge vogels hebben een vrijwel geheel donkere snavel. Kruisingen tussen de grote burgemeester en de beringmeeuw of de Amerikaanse zilvermeeuw Larus smithsonianus lijken sterk op de grote burgemeester, maar hebben grijzige vleugelpunten of een minder scherp afgegrensde snavelpunt; zulke vogels zijn moeilijk met zekerheid te benoemen.

Leefgebied

Stranden, lagunes, havens, riviermondingen en vuilnisbelten, meestal tussen groepen andere grote meeuwen. Eet vis, aas, afval, en jaagt ook op kleinere vogels en eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In de winter schaars langs de kusten van Baja California en Sonora, vooral in het noorden van de Golf van Californië, en zeldzaam zuidelijker langs de Pacifische kust. Aan de Golfkust schaars tot zeldzaam, vooral in het noorden; verder zuidelijk in het gidsgebied hooguit een zeer zeldzame dwaalgast. Buiten het gidsgebied broedt de soort langs de kusten van Alaska, Noord-Canada, Groenland, IJsland, Spitsbergen en Noord-Rusland, en overwintert zij langs de kusten van de noordelijke Grote en Atlantische Oceaan en aan de Grote Meren.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Groepen grote meeuwen op stranden, in havens en op vuilnisbelten in het noorden van de Golf van Californië en in Tamaulipas bieden in de winter de meeste kans. Een grote, bleke meeuw zonder zwart in de vleugel springt in zo'n groep in het oog; de forse snavel en de korte vleugelprojectie onderscheiden de soort van de kleine burgemeester.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De wereldpopulatie is groot, maar door het afgelegen broedgebied slecht bekend. In het gidsgebied een schaarse wintergast zonder broedpopulatie, waarvan het aantal van jaar tot jaar wisselt.

Wetenschappelijke naam

Larus hyperboreus | Gunnerus, 1767

Gunnerus beschreef de soort in 1767 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. hyperboreus is Latijn voor 'noordelijk', naar de Griekse Hyperboreoi, het volk dat in het uiterste noorden zou wonen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Noorwegen.