Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Koereiger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Koereiger | Ardea ibis

Cattle Egret | Garcilla bueyera

De koereiger is een kleine, gedrongen witte reiger die vooral op het droge foerageert, tussen grazend vee, achter tractoren en op bermen en gazons. Oorspronkelijk een vogel van Afrika en Zuid-Europa, bereikte hij op eigen kracht de Amerika's: de eerste waarneming dateert van 1877 op de grens van Guyana en Suriname. In het gidsgebied verscheen hij pas rond het midden van de twintigste eeuw, en binnen enkele decennia had hij zich over het hele gebied verspreid. Tegenwoordig is hij in veel streken de talrijkste reiger.

Koereiger (Ardea ibis)
Foto: Filo gèn' — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie meestal stil. Op de broed- en slaapplaats een droog, keelachtig rik-rak en ander kort gekras.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1172496

Opname: Paul Coiffard — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

46–56 cm, gedrongen, met een korte, dikke hals, een ronde kop met een bevederde 'kin' onder de snavel en vrij korte poten. Buiten de broedtijd geheel wit, met een korte, dikke gele snavel en geelachtige tot donkere poten. In broedkleed hebben kruin, borst en rug een oranjebuff waas en worden snavel, teugel en poten kortstondig roodachtig tot oranje. Jonge vogels zijn wit met een donkere snavel die snel geel wordt. Vliegt met snelle slagen en ingetrokken hals, 's avonds vaak in rijen naar de slaapplaats.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse kleine zilverreiger Egretta thula is slanker en langhalziger, met een dunne zwarte snavel en gele voeten. Jonge kleine blauwe reigers Egretta caerulea zijn wit, maar slank, met een langere, grijsachtige snavel met donkere punt. De grote zilverreiger Ardea alba is veel groter, met een lange hals en zwarte poten.

Leefgebied

Weiland en veeteeltland, savanne, akkers, rijstvelden, bermen, sportvelden, gazons en vuilnisbelten; minder aan de randen van moerassen en vijvers. Van het laagland tot in het hoogland, waar vee graast. Eet vooral sprinkhanen en andere insecten die door vee of machines worden opgejaagd, daarnaast kikkers, hagedissen en teken van vee. Overnacht en broedt in kolonies, vaak met andere reigers, in mangrove, moerasbos of bomen op eilandjes en in steden; het nest is een platform van takjes.

Verspreiding en trek

In vrijwel het hele gidsgebied, van het noorden van Mexico, inclusief Baja California, tot Panama, zowel in het laagland van beide kusten als op de hoogvlakten en in bergdalen met veeteelt. Het talrijkst in streken met veel weiland. Na de broedtijd zwerven vogels rond, en in de noordelijke winter komen er vogels uit Noord-Amerika bij. Buiten het gidsgebied in de Amerika's van het zuiden van Canada tot Argentinië, en in Afrika, Zuidwest-Europa en het Midden-Oosten; de oostelijke koereiger Ardea coromanda van Azië en Australië wordt als aparte soort opgevat.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel overal op het platteland bij grazend vee en achter tractoren. Tegen zonsondergang komen groepen in rijen aan bij de gemeenschappelijke slaapplaats in mangrove of in bomen bij water, waar honderden vogels bijeen kunnen zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied zeer algemeen; de soort profiteert van de omzetting van bos in weiland. Kolonies in de buurt van vliegvelden zijn plaatselijk een risico voor het luchtverkeer.

Wetenschappelijke naam

Ardea ibis | Linnaeus, 1758 (GBIF: Bubulcus ibis)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ardea voerde hij in datzelfde werk in. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. ibis is een Latijns en Grieks woord dat oorspronkelijk de heilige ibis aanduidde en bij vergissing aan deze reiger werd gegeven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.