Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Louisianatangare

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Louisianatangare | Piranga ludoviciana

Western Tanager | Tángara capucha roja

De louisianatangare is een middelgrote tangare die in het westen van Noord-Amerika broedt en in Mexico en Midden-Amerika overwintert. Het mannetje is geel met een rode kop en zwarte rug, vleugels en staart. 's Winters is hij een van de gewone vogels in gemengde groepen in het pijn-eikenbos van de hooglanden.

Louisianatangare (Piranga ludoviciana)
Foto: Pacific Southwest Region USFWS from Sacramento, US — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een snel, oplopend pi-tik of pi-ti-rik. De zang is een hese reeks merelachtige frasen, in het gidsgebied vooral in het voorjaar te horen.

Luister: ZangXC1145167

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–19 cm. Middelgrote tangare met een vrij korte, lichte snavel en twee vleugelstrepen, de bovenste geel en de onderste wit. Het mannetje in broedkleed is helder geel met een oranjerode kop en zwarte rug, vleugels en staart; in de winter is de kop grotendeels geel met weinig rood en is de rug gevlekt. Het vrouwtje is olijfgroen van boven en geel tot grijsachtig van onderen, met een grijzige rug en dezelfde twee vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

De bloedtangare Piranga bidentata heeft een gestreepte rug, witte staarthoeken en een donkere wangrand. De witvleugeltangare Piranga leucoptera is kleiner, met zwartere vleugels en twee brede witte vleugelstrepen. Het mannetje van de roodkoptangare Piranga erythrocephala heeft een rode kop maar een olijfgroene rug en geen vleugelstrepen.

Leefgebied

Overwintert in pijn-eikenbos, eikenbos, droogbos, schaduwkoffie, bosranden en tuinen, van het laagland tot ongeveer 3000 m, vaak in gemengde groepen. Broedt in Baja California in open naaldbos in de bergen. Eet insecten en vruchten en bezoekt bloeiende bomen.

Verspreiding en trek

Broedt in het gidsgebied alleen plaatselijk in de bergen van het noorden van Baja California. Overwintert van het zuiden van Baja California, Sonora en het midden van Mexico zuidelijk door Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua tot Costa Rica; in Panama schaars. Buiten het gidsgebied broedt hij in het westen van de Verenigde Staten en Canada.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter het best te zoeken in gemengde groepen in pijn-eikenbos, bijvoorbeeld in de hooglanden van Chiapas en Guatemala. Ook in bloeiende bomen in dorpen en koffieplantages.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid; overwintert ook in door mensen veranderd terrein met bomen.

Wetenschappelijke naam

Piranga ludoviciana | (Wilson, 1811)

Wilson beschreef de soort in 1811 als Tanagra ludoviciana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Piranga werd in 1808 ingevoerd door Vieillot. Piranga komt van het Tupi tijepiranga, de naam van een niet nader bekend vogeltje. ludoviciana verwijst naar Louisiana, destijds het enorme Louisiana-territorium, waar Lewis en Clark de soort vonden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Kamiah, Idaho, Verenigde Staten.