Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Piraattiran

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Piraattiran | Legatus leucophaius

Piratic Flycatcher | Papamoscas pirata

De piraattiran is een kleine, donkere tiran met een opvallend gestreepte kop, die zijn naam dankt aan zijn manier van broeden: hij bouwt geen eigen nest, maar neemt de nesten van andere vogels over. In het gidsgebied is hij een zomergast die van het zuiden van Mexico tot Panama broedt.

Piraattiran (Legatus leucophaius)
Foto: gailhampshire from Cradley, Malvern, U.K — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een klaaglijk, hoog wie-jie en een stijgend, trillend pirr-ie-ie-ie, eindeloos herhaald vanaf een hoge, kale tak.

Luister: ZangXC1185100

Opname: Daan van der Hoeven — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15 cm, gedrongen, met een korte, brede, zwarte snavel. Bovendelen egaal donker olijfbruin. Kop met een brede donkere oogstreep, een witte wenkbrauwstreep en een witte baardstreep; een verborgen gele kruinvlek. Keel wit, borst vuilwit met vage donkere strepen, buik lichtgeel. Vleugels en staart donkerbruin zonder roodbruin. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De gestreepte tiran Myiodynastes maculatus en de zwavelbuiktiran Myiodynastes luteiventris zijn veel groter, met een zwaardere snavel, een gestreepte rug en een roodbruine staart. De roodkruintiran Myiozetetes similis en de grijskruintiran Myiozetetes granadensis hebben een ongestreepte borst en een helder gele buik.

Leefgebied

Bosranden, open plekken in vochtig bos, secundair bos, galerijbos, weiland en open terrein met verspreide hoge bomen; ook in dorpen en parken. Zit vaak hoog en onbeschut. Eet vooral kleine vruchten, waaronder bessen van maretak, en daarnaast insecten. Verjaagt andere vogels van hun nest, vaak van oropendola's, caciques, becarden of roodkruintirannen, en broedt daarin.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Van het zuidoosten van Mexico door Belize, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Costa Rica tot Panama. Buiten het gidsgebied in een groot deel van tropisch Zuid-Amerika, tot in het noorden van Argentinië; de broedvogels van het gidsgebied overwinteren in Zuid-Amerika.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te vinden bij kolonies van oropendola's en andere vogels met hangende of overdekte nesten. De eindeloos herhaalde roep vanaf een hoge zitplaats verraadt hem.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wijdverbreid en vrij algemeen in halfopen terrein met hoge bomen.

Wetenschappelijke naam

Legatus leucophaius | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Platyrhynchos leucophaius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Legatus werd in 1859 ingevoerd door Sclater. Legatus is Latijn voor 'gezant, landvoogd', van legare 'aanstellen'; waarom Sclater deze naam koos, is niet bekend. leucophaius is Grieks, van leukos 'wit' en phaios 'donker': 'witachtig grijs', naar het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.