Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Roodbuikgrondkoekoek

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Duiven, toerako's en verwanten Columbaves › Trappen, toerako's en koekoeken Otidimorphae

Roodbuikgrondkoekoek | Neomorphus geoffroyi

Rufous-vented Ground Cuckoo | Cuco hormiguero ventrirrufo

De roodbuikgrondkoekoek is een grote, op de bodem levende koekoek van ongestoord vochtig laaglandbos, die zwermen trekmieren en groepen pekari's volgt om opgejaagde dieren te vangen. In het gidsgebied leeft hij van het oosten van Nicaragua tot in Panama. Hij is schaars, schuw en in grote delen van zijn gebied achteruitgegaan door bosverlies.

Roodbuikgrondkoekoek (Neomorphus geoffroyi)
Foto: Greg Kanies — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, droog snavelklapperen, dat vaak het eerste teken is, vooral bij opwinding. Daarnaast een laag, dof en duifachtig gekreun, een langgerekt woeoe-oep dat ver door het bos klinkt.

Luister: ZangXC1078657

Opname: Odirlei Vieira da Fonseca — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

46–51 cm; een forse koekoek met lange poten, een lange, brede staart en een zware, gebogen snavel die bleek groengeel is. Op de kop staat een donkere, blauwzwarte kuif; rond het oog ligt naakte, blauwe huid. Hals en bovendelen zijn olijfbruin tot bronsbruin, de vleugels en de staart glanzend paarsblauw tot groenzwart. De onderdelen zijn bleek grijsbruin tot okerkleurig, met een smalle zwarte band over de borst; buik en onderstaartdekveren zijn roestbruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn donkerder en missen de borstband. In het gidsgebied leeft de ondersoort N. g. salvini.

Verwarrings­soorten

In het gidsgebied is er geen soort waarmee hij goed te verwarren is. De eekhoornkoekoek Piaya cayana is roestbruin, leeft in bomen en heeft een veel slankere bouw. De grote tinamoe Tinamus major loopt ook over de bosbodem, maar heeft een kleine kop, een dunne snavel en vrijwel geen staart. Hoenders zoals het kuifsjakohoen Penelope purpurascens hebben een rode keellel en leven vooral in bomen.

Leefgebied

Vochtig laaglandregenwoud en heuvelbos met een hoog, gesloten bladerdak en een open ondergroei, van zeeniveau tot ongeveer 1200 m; vermijdt kapvlakten en jonge secundaire begroeiing. Loopt over de bosbodem achter zwermen trekmieren en groepen pekari's aan en vangt de insecten, schorpioenen, kikkers en hagedissen die daarbij opgeschrikt worden. Bouwt een eigen nest van takken in een boom en broedt zelf.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied op de Caribische helling van Nicaragua (vooral het noordoosten en het zuiden) en Costa Rica, plaatselijk ook in de vulkaanketens van Guanacaste en Tilarán, en in Panama op beide hellingen in Veraguas, Coclé, Colón, Panamá, Guna Yala en Darién. Buiten het gidsgebied in het noordwesten van Colombia, en andere ondersoorten in delen van het Amazonebekken en het oosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest gevonden bij zwermen trekmieren in groot, oud bos, zoals langs de Pipeline Road in het Nationaal Park Soberanía in Panama en in de bossen op de Caribische helling van de noordelijke vulkanen van Costa Rica. Het geklepper van de snavel en het getjilp van mierenvolgers rond een zwerm zijn de beste aanwijzingen. Een vogel die een zwerm volgt laat zich soms opmerkelijk dicht benaderen.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De soort heeft grote, ongeschonden bosgebieden nodig en verdwijnt waar bos wordt versnipperd of waar pekari's door jacht verdwijnen. In het gidsgebied overal schaars en in grote delen van Nicaragua en Costa Rica sterk achteruitgegaan.

Wetenschappelijke naam

Neomorphus geoffroyi | (Temminck, 1820)

Temminck beschreef de soort in 1820 als Coccyzus geoffroyi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Neomorphus werd in 1827 ingevoerd door Gloger. Neomorphus is Grieks, van neos 'nieuw' en morphē 'vorm, gedaante': 'nieuwe vorm'. geoffroyi eert de Franse zoöloog Étienne Geoffroy Saint-Hilaire (1772–1844). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Belém (Pará), Brazilië.