Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Roodbuikzanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Roodbuikzanger | Myioborus pictus

Painted Whitestart | Pavito alas blancas

De roodbuikzanger is een zwarte zanger met een helderrode buik en grote witte vlekken op vleugels en staart. Hij leeft in pijn-eikenbos en beboste ravijnen in de bergen. Al zoekend spreidt hij steeds staart en vleugels, waarbij het wit oplicht en insecten opschrikken.

Roodbuikzanger (Myioborus pictus)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een vrij rijke, zoete reeks herhaalde noten, ongeveer wieta wieta wieta wie. De roep is een fluitend tsjie-rie, anders dan de korte tiktonen van de meeste andere zangers.

Luister: ZangXC1007698

Opname: David A. Brinkman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm. Vrijwel geheel glanzend zwart, met een helderrood midden van borst en buik. Een grote witte vlek op de vleugel, veel wit in de buitenste staartpennen en een smalle witte halvemaan onder het oog. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels missen het rood; hun buik is roetkleurig zwart. Snavel kort en zwart.

Verwarrings­soorten

De meniezanger Myioborus miniatus heeft leigrijze in plaats van zwarte bovendelen, een kastanjebruine kruinvlek en geen witte vleugelvlek of witte halvemaan onder het oog. De roodmaskerzanger Cardellina rubrifrons is grijs met een rood gezicht en een zwarte kap.

Leefgebied

Pijn-eikenbos, eikenbos en beboste ravijnen en kloven in de bergen, vaak met platanen langs beken; meestal tussen 1500 en 3000 m. Zoekt insecten op stammen en takken en in het gebladerte, met hangende vleugels en een uitgespreide staart, en sluit buiten de broedtijd aan bij gemengde groepen. Bouwt het nest op de grond, verborgen tegen een steile oever of rots.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Van het zuidwesten van de Verenigde Staten (Arizona, New Mexico en het westen van Texas) door de bergen van Mexico, zowel de Sierra Madre Occidental als de Sierra Madre Oriental, de Transmexicaanse Vulkanengordel en de Sierra Madre del Sur, tot Chiapas en verder door Guatemala, El Salvador en Honduras tot in het noorden en midden van Nicaragua. Vogels uit de Verenigde Staten trekken in de winter grotendeels naar Mexico.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het wit en rood van staart en vleugels is van ver te zien wanneer hij door het pijn-eikenbos fladdert; de fluitende roep verraadt hem vaak eerder.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en algemeen in de bergen van Mexico en het noorden van Midden-Amerika.

Wetenschappelijke naam

Myioborus pictus | (Swainson, 1829)

Swainson beschreef de soort in 1829 als Setophaga picta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myioborus werd in 1865 ingevoerd door Baird. Myioborus is Grieks, van muia 'vlieg' en -boros 'verslindend': 'vliegenvreter'. pictus is Latijn voor 'beschilderd, bont', naar het zwart-wit-rode verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Real del Monte, Hidalgo, Mexico.