Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Roodmaskerzanger
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Roodmaskerzanger | Cardellina rubrifrons
Red-faced Warbler | Chipe cara roja
De roodmaskerzanger is een kleine grijze zanger van het bergbos met een helderrood gezicht en een zwarte kap. Hij broedt in naald- en pijn-eikenbos in het zuidwesten van de Verenigde Staten en het noordwesten van Mexico. In de winter trekt hij naar de hooglanden van het zuiden van Mexico en het noorden van Midden-Amerika.
Geluid
De zang is een reeks heldere, zoete noten die versnelt en eindigt met een nadrukkelijke, dalende toon, wat doet denken aan de zang van de gele zanger. De roep is een scherp tsjip.
Opname: David A. Brinkman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm. Voorhoofd, gezicht, keel en bovenborst helderrood. Een zwarte kap loopt van de kruin over de oorstreek naar beneden, met een kleine witte vlek in de nek. Rug en vleugels grijs, stuit wit, onderdelen grijswit. De seksen zijn vrijwel gelijk; het vrouwtje is iets doffer. Jonge vogels hebben een bruinroze gezicht en een bruinere kap. Snavel kort, fijn en grijs. Wipt vaak met de staart.
Verwarringssoorten
Geen andere zanger in het gidsgebied heeft de combinatie van rood gezicht, zwarte kap en grijze rug. De rode zanger Cardellina rubra (alleen in Mexico) is vrijwel geheel rood, zonder zwarte kap. De roodbuikzanger Myioborus pictus is zwart met een rode buik en een grote witte vleugelvlek.
Leefgebied
Broedt in naaldbos, zilversparrenbos en pijn-eikenbos in de bergen, meestal tussen 2000 en 3000 m. In de winter in pijn-eikenbos en vochtig bergbos, meestal tussen 1500 en 3500 m, vaak in gemengde groepen met andere zangers. Zoekt insecten aan de buitenkant van takken en in het gebladerte. Bouwt het nest op de grond, verborgen onder een graspol of tegen een helling.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt van het zuidwesten van de Verenigde Staten (Arizona en New Mexico) zuidwaarts in de Sierra Madre Occidental tot in Durango. Overwintert in de bergen van het zuiden van Mexico (vanaf Jalisco en Michoacán via Guerrero en Oaxaca tot Chiapas) en verder in Guatemala, El Salvador en Honduras.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter het makkelijkst te vinden in gemengde groepen in het pijn-eikenbos van Chiapas en het westen van Guatemala. Het rode gezicht is ook in het gebladerte goed te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Algemeen in geschikt bergbos; plaatselijk gevoelig voor kap van naald- en pijn-eikenbos.
Wetenschappelijke naam
Cardellina rubrifrons | (Giraud, 1841)
Giraud beschreef de soort in 1841 als Muscicapa rubrifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cardellina werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte. Cardellina is een verkleinwoord van het Italiaanse dialectwoord cardella 'putter'. rubrifrons is Latijn, van ruber 'rood' en frons 'voorhoofd', naar het rode gezicht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico (niet nader bepaald; oorspronkelijk ten onrechte 'Texas').



