Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Roodoorgors
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Roodoorgors | Chondestes grammacus
Lark Sparrow | Gorrión arlequín
De roodoorgors is een grote gors van open, droog land met verspreide bomen en struiken. Zijn kop heeft een scherp patroon van kastanjebruin, zwart en wit. Hij broedt in grote delen van Noord-Amerika en in het noorden van Mexico; in de winter verspreidt hij zich over een groot deel van Mexico.
Geluid
De zang is lang en gevarieerd: een afwisseling van heldere fluittonen, trillers en zoemende, schorre noten, vaak beginnend met twee heldere tonen. De roep is een scherp, dun tsip, vaak herhaald, ook in vlucht.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
15–17 cm. Groot en langstaartig. Kop met een kastanjebruine oorvlek en kastanjebruine kruinzijden, een witte middenkruinstreep, een witte wenkbrauwstreep, een witte baardstreep en een zwarte keelstreep. Borst wit met één zwarte vlek in het midden. Bovendelen grijsbruin met donkere strepen. De afgeronde staart is zwart met brede witte hoeken, vooral in vlucht te zien. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn fijn gestreept op de borst en hebben een bleker kopteken.
Verwarringssoorten
Volwassen vogels zijn door het kopteken nauwelijks te verwarren. De avondgors Pooecetes gramineus heeft ook wit in de staart, maar alleen langs de buitenste pennen en niet op de hoeken; hij is gestreept op de borst, heeft een witte oogring en mist het kastanjebruine en zwarte kopteken. Jonge roodoorgorzen, met gestreepte borst en vager kopteken, lijken meer op de avondgors, maar hebben al de staart met witte hoeken.
Leefgebied
Open terrein met verspreide bomen en struiken: halfwoestijngrasland, droge savanne, weiland met bomen, akkerranden, boomgaarden en wegbermen; in de winter ook doornstruweel en stoppelvelden. Zoekt op de grond naar zaden en in de broedtijd ook naar insecten. Buiten de broedtijd vaak in groepen, die bij verstoring naar een boom vliegen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt van het zuiden van Canada over een groot deel van de Verenigde Staten tot in het noorden van Mexico, van Sonora en Chihuahua tot Durango, Zacatecas, Nuevo León en Tamaulipas. Overwintert in het zuiden van de Verenigde Staten en in Mexico zuidelijk tot Oaxaca en Chiapas; schaars in Guatemala en El Salvador, uitzonderlijk verder zuidelijk.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter het best te vinden langs wegen door akkerland en halfwoestijngrasland; een opgejaagde groep is te herkennen aan de zwarte staarten met witte hoeken en strijkt vaak neer in een nabije boom.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid; in delen van het noordelijke verspreidingsgebied in aantal afgenomen door het verdwijnen van open grasland en het dichtgroeien van verlaten land.
Wetenschappelijke naam
Chondestes grammacus | (Say, 1822)
Say beschreef de soort in 1822 als Fringilla grammaca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chondestes werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Chondestes is Grieks, van khondros 'graankorrel' en edestēs 'eter': 'zaadeter'. grammacus komt van het Griekse grammikos 'van lijnen, gestreept', naar de opvallend gestreepte koptekening. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bellefontaine bij de monding van de Missouri, Missouri (VS).





