Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Slobeend
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae
Slobeend | Spatula clypeata
Northern Shoveler | Cuchara común
De slobeend is een middelgrote grondeleend met een grote, lepelvormige snavel, waarmee hij plankton en kleine ongewervelden uit het water zeeft. In Mexico is het een van de talrijkste wintereenden, vooral op de meren en zoutmeren van de hoogvlakte en in de kustlagunes; in Midden-Amerika is hij schaarser.
Geluid
In de winter meestal stil. Het mannetje heeft een hol, herhaald took-took; het vrouwtje een dalend, kwakend kwèk-kwèk-kwèk.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
44–52 cm, een grondeleend die laag in het water ligt, met de lange, aan de punt sterk verbrede snavel vaak naar het water gericht. Het mannetje in prachtkleed heeft een donkergroene kop, een geel oog, een witte borst, kastanjebruine flanken en buik en een witte vlek voor de zwarte stuit; de snavel is zwart. Het vrouwtje is gevlekt bruin, met een oranje rand langs de snavel. In de herfst zijn veel mannetjes nog in een bruin, vrouwtjesachtig kleed, soms met een witte halvemaan op de wang. In de vlucht een lichtblauwe voorvleugel, een witte band en een groene spiegel, en door de zware snavel lijken de vleugels ver naar achteren te staan.
Verwarringssoorten
De blauwvleugeltaling Spatula discors en de kaneeltaling S. cyanoptera hebben dezelfde lichtblauwe voorvleugel, maar zijn kleiner en hebben een veel kleinere snavel. Het groenkoppige mannetje kan op afstand aan een mannetje wilde eend Anas platyrhynchos doen denken, maar de witte borst, de rosse flanken en de snavel sluiten verwarring uit. Vrouwtjes van de wilde eend en de Mexicaanse eend Anas diazi zijn groter, met een kleinere snavel en een blauwe in plaats van groene spiegel.
Leefgebied
Ondiepe meren, stuwmeren en vijvers met voedselrijk water, zoute en sodahoudende meren, kustlagunes, kwelders, zoutpannen en ondergelopen velden; ook zuiveringsvijvers. Foerageert al zwemmend met de snavel door het water, vaak in groepen die in een kring draaien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Overwintert in heel Mexico, van Baja California, Sonora, Chihuahua en Tamaulipas tot Oaxaca, Chiapas en het schiereiland Yucatán; het talrijkst op de hoogvlakte en langs de kusten van het noorden. In Midden-Amerika vrij schaars tot plaatselijk algemeen in Guatemala, Belize, El Salvador, Honduras, Nicaragua en Costa Rica, en schaars in Panama. Enkele vogels blijven de zomer over in het noorden van Mexico. Broedt in Noord-Amerika en Eurazië.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoutmeren, stuwmeren en zuiveringsvijvers op de Mexicaanse hoogvlakte in de wintermaanden, waar groepen laag in het water liggen en met de snavel door het oppervlak zeven.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse stand is sinds de jaren vijftig toegenomen. In het gidsgebied een algemene wintergast in Mexico, verder zuidelijk schaarser.
Wetenschappelijke naam
Spatula clypeata | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas clypeata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spatula werd in 1822 ingevoerd door Boie. Spatula is Latijn voor 'lepel' of 'spatel', naar de brede, lepelvormige snavel van de slobeend. clypeata is Latijn voor 'schilddragend', van clypeus 'schild'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Zweden.





