Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Sprinkhaangors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Sprinkhaangors | Ammodramus savannarum

Grasshopper Sparrow | Gorrión chapulín

De sprinkhaangors is een kleine, platkoppige gors van open grasland met een korte staart en een vrij grote snavel. Zijn naam dankt hij aan de hoge, zoemende zang, die lijkt op het geluid van een sprinkhaan. In het gidsgebied leven standvogels in verspreide graslanden en pijnsavannen van Mexico tot Panama; in de winter komen daar trekvogels uit Noord-Amerika bij.

Sprinkhaangors (Ammodramus savannarum)
Foto: Wildreturn — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een hoog, zoemend tik-tik-tsssssss: een of twee korte tikken gevolgd door een droge, insectachtige triller, makkelijk te missen. Daarnaast een langere, kwetterende zang. De roep is een zacht, hoog tsik.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1177492

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm. Gedrongen, met een platte kop, een grote, kegelvormige snavel en een korte, spitse staart. Kruin donker met een smalle, lichte middenstreep; gezicht effen okerkleurig met een gele tot oranje vlek vóór het oog en een witte oogring. Rug grijs en roodbruin geschubd en gestreept. Borst en flanken bij volwassen vogels effen lichtoker, zonder strepen; buik wit. Op de vleugelboeg een kleine gele vlek. Jonge vogels hebben een fijn gestreepte borst. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De savannahgors Passerculus sandwichensis is duidelijk gestreept op borst en flanken, heeft een langere, gevorkte staart en vaak geel in de wenkbrauwstreep. Bairds gors Centronyx bairdii, een schaarse wintergast in het noorden van Mexico, heeft een okergele kop met donkere wangvlekken en een smalle band van fijne strepen over de borst. Botteri's gors Peucaea botterii en Cassins gors Peucaea cassinii zijn groter, met een langere, afgeronde staart en een minder platte kop.

Leefgebied

Open, vrij kort grasland met verspreide struiken, pijnsavanne en ruige weilanden; in de winter ook braakliggende akkers, graanvelden en grazige bermen. Loopt verscholen tussen het gras en vliegt alleen kort en laag op. Eet insecten, vooral sprinkhanen, en zaden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in het zuiden van Canada en een groot deel van de Verenigde Staten. Overwintert in het zuiden van de Verenigde Staten en in Mexico, vooral in het noorden en langs de Golfkust. In het gidsgebied leven standvogels plaatselijk in het zuiden van Mexico, in de pijnsavannen van Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua en in graslanden in Costa Rica en het westen van Panama. Buiten het gidsgebied ook in het Caribisch gebied en in het noordwesten van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best te vinden in het voorjaar en de vroege zomer, wanneer zingende mannetjes op een grashalm, paaltje of struikje zitten. In de winter vrijwel alleen te zien als een vogel kort voor de voeten opvliegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid, maar in Noord-Amerika sterk achteruitgegaan door het verdwijnen van grasland. De standvogelpopulaties in het gidsgebied zijn klein en verspreid en afhankelijk van open grasland en pijnsavanne.

Wetenschappelijke naam

Ammodramus savannarum | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla savannarum; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ammodramus werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Ammodramus is Grieks, van ammos 'zand' en -dromos 'loper': 'zandloper'. savannarum is modern Latijn voor 'van de savannes', van het Spaanse zavana 'open, boomloze vlakte', naar het graslandbiotoop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.