Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Tuintroepiaal
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Tuintroepiaal | Icterus spurius
Orchard Oriole | Bolsero castaño
De tuintroepiaal is de kleinste troepiaal van het gidsgebied. Het volwassen mannetje is zwart met kastanjebruine onderdelen en stuit; vrouwtjes en jonge vogels zijn olijfgeel. Hij broedt in het oosten van Noord-Amerika en in het noorden van Mexico en overwintert van West-Mexico tot in het noorden van Zuid-Amerika. De trek begint vroeg: de eerste vogels komen al in juli in het overwinteringsgebied aan.
Geluid
De zang is een snelle, afwisselende reeks fluit- en kwettertonen, vaak afgesloten met een dalend wjier. Als roep een zacht tsjuk en een droog gekwetter. In de winter vooral de roep.
Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–18 cm. Klein en slank, met een korte, licht gebogen, spitse snavel. Volwassen mannetje: kop, keel, rug, vleugels en staart zwart; borst, buik, schouder en stuit diep kastanjebruin; een witte vleugelband en witte randen aan de slagpennen. Vrouwtje: olijfgroen boven en groengeel onder, met twee witte vleugelbanden. Het eerstejaars mannetje lijkt op het vrouwtje maar heeft een zwarte keel en zwart rond de snavel. In het zuiden van Tamaulipas en het noorden van Veracruz broedt de vorm fuertesi, waarvan het mannetje okeroranje in plaats van kastanjebruin is.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de maskertroepiaal Icterus cucullatus is groter, heeft een langere staart en een langere, sterker gebogen snavel. Vrouwtjes van de baltimoretroepiaal Icterus galbula en bullocks troepiaal Icterus bullockiorum zijn groter en oranjer, met een dikkere, rechte snavel. Het vrouwtje van de zwartborsttroepiaal Icterus prosthemelas heeft een zwart gezicht en geen witte vleugelbanden.
Leefgebied
Broedt in open bos, oeverbos, boomgaarden en dorpen met verspreide bomen. In de winter in halfopen terrein met bomen, bosranden, droogbos, plantages, tuinen en parken, vaak in bloeiende bomen zoals koraalbomen (Erythrina) en bananen, waar hij nectar drinkt. Eet verder insecten en vruchten; in de winter vaak in losse groepen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het zuiden van Canada en het oosten en midden van de Verenigde Staten, en in Mexico op de noordelijke hoogvlakte en in het noordoosten tot in het noorden van Veracruz. Overwintert van het westen en zuiden van Mexico (Pacifische kant vanaf Sinaloa) door heel Midden-Amerika tot Panama en het noordwesten van Colombia en Venezuela. Op doortrek talrijk langs de Golfkust en op het schiereiland Yucatán.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter het best te vinden bij bloeiende bomen in tuinen, parken en plantages, waar vaak meerdere tuintroepialen samen met andere troepialen en zangers foerageren.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid; in het noorden van het broedgebied is de stand plaatselijk afgenomen.
Wetenschappelijke naam
Icterus spurius | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als O[riolus] spurius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Icterus komt van het Griekse ikteros, een gele vogel — doorgaans opgevat als de wielewaal — waarvan de aanblik geelzucht zou genezen. spurius is Latijn voor 'onecht, bastaard'; men hield de vogel aanvankelijk voor een afwijkende vorm van de Baltimoretroepiaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.





