Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Velduil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Velduil | Asio flammeus

Short-eared Owl | Búho campestre

De velduil is een uil van open land met een van de grootste verspreidingsgebieden van alle vogels. In het gidsgebied is hij een weinig talrijke wintergast uit Noord-Amerika, die vooral in het noorden en midden van Mexico overwintert; broedgevallen zijn uit het gidsgebied niet bekend. Hij jaagt vaak in de schemering en soms midden op de dag, met een laag, fladderend vlieg- en zweefpatroon boven gras en ruigte.

Velduil (Asio flammeus)
Foto: Sumeet Moghe — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter meestal stil. Bij onrust een hees, blaffend kjeff of kee-aw. In de broedgebieden laat het mannetje in de baltsvlucht een reeks lage boe-boe-boe-tonen horen en klapt het met de vleugels.

Luister: ZangXC1105612

Opname: Kevin Guille — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

34–43 cm, middelgroot, met een grote ronde kop, zeer korte oorpluimen die meestal onzichtbaar zijn en geeloranje ogen in een zwarte omlijsting. Het gezichtsmasker is licht. De bovendelen zijn geelbruin met donkere vlekken en strepen; de borst is zwaar donker gestreept, de buik lichter en fijner gestreept. In vlucht vallen de lange, smalle vleugels op, met een geelbruine vlek op de handpenbasis van boven, een donkere polsvlek van onder en een donkere vleugelpunt met smalle banden.

Verwarrings­soorten

De ransuil Asio otus heeft lange oorpluimen, een roodbruin gezicht en een fijner getekende buik met dwarsbandjes, en jaagt vooral ’s nachts vanuit bosjes en struweel. De Amerikaanse kerkuil Tyto furcata jaagt ook boven open terrein, maar heeft donkere ogen in een wit, hartvormig masker en ongestreepte, lichte onderdelen. De gestreepte ransuil Asio clamator heeft lange oorpluimen, een wit gezicht met een zwarte rand en donkere ogen. De holenuil Athene cunicularia is veel kleiner en zit vaak op de grond.

Leefgebied

Open landschappen met hoog gras of ruigte: graslanden en halfwoestijngrasland, natte graslanden en moerasranden, akkers, weilanden en braakliggend land, ook kweldervlakten langs de kust en grasland op de hoogvlakte. Rust overdag op de grond tussen gras, soms met enkele vogels bij elkaar. Jaagt laag boven de grond op muizen en andere kleine zoogdieren, soms op vogels.

Verspreiding en trek

Wintergast, van ongeveer november tot maart en in kleine aantallen tot april, vooral in Baja California en Baja California Sur, in de graslanden van Chihuahua en elders in het noorden van Mexico, en zuidwaarts op de hoogvlakte tot in de staat México en het dal van Mexico; ook in de kustvlakte van Veracruz. Verder zuidwaarts in het gidsgebied zeldzaam tot dwaalgast, met enkele waarnemingen in Guatemala, Belize, Honduras en Costa Rica. In de zomer vrijwel afwezig; broedgevallen in het gidsgebied zijn niet bekend. Buiten het gidsgebied in Noord- en Zuid-Amerika, op Cuba, Hispaniola en Puerto Rico, in Europa, Azië en op Hawaï en de Galápagos.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de winter in de schemering boven grote, open graslanden en akkers, bijvoorbeeld in de graslanden van Janos in Chihuahua, in het noorden van Baja California en in de moerassen en graslanden rond de bovenloop van de Lerma in de staat México. Een vogel die met diepe, onregelmatige vleugelslagen laag over het gras fladdert en zich dan laat vallen is kenmerkend.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd als soort. In Noord-Amerika zijn de aantallen sterk afgenomen door het verdwijnen van graslanden; ook in de Mexicaanse overwinteringsgebieden gaat grasland verloren aan akkerbouw en bebouwing.

Wetenschappelijke naam

Asio flammeus | (Pontoppidan, 1763)

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Strix Flammea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Asio werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Asio is de Latijnse naam van een uil met oorpluimen. flammeus is Latijn voor 'vlamkleurig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.