Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Vorkstaartmeeuw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Vorkstaartmeeuw | Xema sabini

Sabine's Gull | Gaviota de Sabine

De vorkstaartmeeuw is een kleine, sternachtige meeuw die op de arctische toendra broedt en de rest van het jaar op open zee doorbrengt. De Amerikaanse populatie trekt door de oostelijke Stille Oceaan en passeert het gidsgebied in het voor- en najaar, soms in groepen van honderden vogels. Vanaf de kust is de soort zelden te zien.

Vorkstaartmeeuw (Xema sabini)
Foto: Alaska Region U.S. Fish & Wildlife Service from Anchorage, United States — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten het broedgebied vrijwel stil. Op de broedplaats een hoog, raspend, sternachtig kriie.

Luister: ZangXC933306

Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

27–33 cm, klein, met een licht gevorkte staart en lange, spitse vleugels. In alle kleden is de bovenvleugel driekleurig: grijze, bij jonge vogels grijsbruine, mantel en vleugeldekveren, zwarte buitenste handpennen en een grote witte driehoek op de binnenste handpennen en armpennen. Volwassen vogels in broedkleed hebben een donker leigrijze kap met een smalle zwarte rand en een zwarte snavel met gele punt; buiten de broedtijd is de kop wit met een donkere achterhals. Jonge vogels zijn op kop, mantel en dekveren grijsbruin geschubd, met een zwarte eindband op de staart en een donkere snavel.

Verwarrings­soorten

De kleine kokmeeuw Chroicocephalus philadelphia heeft een witte voorrand aan de handpennen in plaats van een witte driehoek achter op de vleugel, en een rechte staart. Jonge drieteenmeeuwen Rissa tridactyla hebben een zwarte zigzagband over de vleugel en een zwarte nekband. De zwaluwstaartmeeuw Creagrus furcatus heeft hetzelfde vleugelpatroon, maar is veel groter, met een rode oogring en een diep gevorkte staart. Jonge lachmeeuwen Leucophaeus atricilla zijn groter en donkerder, zonder witte vleugeldriehoek.

Leefgebied

Open zee en de rand van het continentaal plat, vaak waar koud, voedselrijk water opwelt, zoals in de Golf van Tehuantepec. Pikt vliegend of zwemmend kleine prooien van het wateroppervlak, soms in gemengde groepen met sterns en franjepoten. Komt zelden dicht onder de kust, behalve na stormen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Doortrekker voor de hele Pacifische kust, van Baja California en de Golf van Californië tot Panama, vooral ver uit de kust en het talrijkst in de Golf van Tehuantepec, voor Costa Rica en voor Guatemala. Een deel van de vogels overwintert voor de kust van het zuiden van het gidsgebied. Aan de Caribische kant slechts enkele gevallen. Buiten het gidsgebied broedt de soort circumpolair op de arctische toendra en overwintert ze vooral voor de westkust van Zuid-Amerika en zuidwestelijk Afrika.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten voor de Pacifische kust in september en oktober en in het voorjaar bieden de meeste kans. Het scherp afgetekende driekleurige vleugelpatroon is ook op grote afstand te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De broedgebieden op de toendra zijn grotendeels onverstoord en er zijn geen aanwijzingen voor een sterke trend.

Wetenschappelijke naam

Xema sabini | (Sabine, 1819)

Sabine beschreef de soort in 1819 als Larus Sabini; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Xema werd in 1819 ingevoerd door Leach. Xema lijkt een verzonnen naam zonder betekenis; William Leach voerde hem in 1819 in zonder toelichting. sabini eert de Britse poolreiziger Edward Sabine (1788–1883), die de eerste exemplaren verzamelde op eilandjes voor de westkust van Groenland; zijn broer Joseph beschreef de soort naar dat materiaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Sabine-eilanden bij Groenland.