Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Whippoorwill
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Whippoorwill | Antrostomus vociferus
Eastern Whip-poor-will | Tapacaminos cuerporruín norteño
De whippoorwill broedt in het oosten van Noord-Amerika en is in het gidsgebied een wintergast. Hij is genoemd naar zijn zang, een snel herhaald whip-poor-wíll, maar in het winterkwartier zingt hij weinig. Tot 2010 werd hij samen met de Mexicaanse whippoorwill als één soort beschouwd; beide zijn in het veld vooral aan de zang te onderscheiden. Overdag rust hij op de bosbodem of overlangs op een tak, waar zijn schutkleur hem vrijwel onzichtbaar maakt.
Geluid
De zang is een helder, snel en ritmisch herhaald whip-poor-wíll, met de nadruk op de laatste lettergreep. In het gidsgebied zingen de vogels vooral in het voorjaar, kort voor en tijdens de trek naar het noorden; in de winter meestal stil. Daarnaast een zacht kwit als roep.
Opname: Jacob Saucier — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
22–26 cm. Een gedrongen nachtzwaluw met een grote, platte kop, een korte snavel met lange borstels en afgeronde vleugels zonder witte vleugelband. Het verenkleed is grijsbruin, fijn gevlekt en gestreept met zwart, grijs en roestbruin, met een donkere keel en daaronder een smalle witte (bij het vrouwtje okerkleurige) keelband. Bij het mannetje zijn de buitenste drie staartpennen over een groot deel wit, zichtbaar wanneer hij opvliegt; bij het vrouwtje hebben ze smalle okerkleurige toppen. De vleugels reiken bij een zittende vogel niet tot het eind van de staart.
Verwarringssoorten
De Mexicaanse whippoorwill Antrostomus arizonae lijkt sterk; hij is gemiddeld grijzer, met minder wit in de staart van het mannetje, en zijn zang is lager en raspend. In de winter overlappen beide soorten in een deel van Mexico, en stille vogels zijn dan niet met zekerheid te scheiden. De carolinanachtzwaluw Antrostomus carolinensis, ook een wintergast, is duidelijk groter en warmer bruin, met een lichtbruine keel. Ridgways whippoorwill Antrostomus ridgwayi heeft een okerkleurige nekkraag en leeft in droog struweel. De pauraque Nyctidromus albicollis heeft een witte vleugelband en een langere staart.
Leefgebied
In het winterkwartier in vochtig en halfvochtig laagland- en heuvelbos, secundair bos, bosranden, galerijbos en seizoensbos, plaatselijk ook in pijn-eikenbos op middelhoge hoogte; vooral tot ongeveer 1500 m, zelden hoger. Jaagt in de schemering en bij maanlicht vanaf de grond of een lage tak op motten en andere vliegende insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Overwintert vooral aan de Golf- en Caribische kant, van het zuiden van Tamaulipas en San Luis Potosí via Veracruz, Puebla en Oaxaca tot Tabasco, Chiapas en het schiereiland Yucatán, en verder in Guatemala, Belize, El Salvador en Honduras. In Nicaragua en Costa Rica schaars, in Panama een dwaalgast. In de trektijd ook elders in het oosten van Mexico. Broedt niet in het gidsgebied; het broedgebied ligt in het oosten van de Verenigde Staten en het zuiden van Canada.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter is de soort lastig te vinden; vogels worden het vaakst opgemerkt wanneer ze in de schemering langs een bosweg opvliegen of in het licht van een lamp met rode oogreflectie op de grond zitten. In maart en april begint een deel van de vogels al te zingen, bijvoorbeeld in bosgebieden in Veracruz, Chiapas en op het schiereiland Yucatán.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De broedpopulatie in Noord-Amerika is in de afgelopen decennia sterk afgenomen, waarschijnlijk door minder grote nachtvlinders en andere insecten en door verlies en verandering van bos. Ook het verdwijnen van bos in het winterkwartier kan een rol spelen.
Wetenschappelijke naam
Antrostomus vociferus | (Wilson, 1812)
Wilson beschreef de soort in 1812 als Caprimulgus vociferus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Antrostomus werd in 1838 ingevoerd door Bonaparte. Antrostomus is Grieks, van antron 'grot' en stoma 'mond': 'grotmond', naar de enorm wijde muil. vociferus is Latijn voor 'luid roepend', naar de eindeloos herhaalde roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania, VS.





