Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Witkeelgors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Witkeelgors | Zonotrichia albicollis

White-throated Sparrow | Chingolo gorjiblanco

De witkeelgors is een grote, stevige gors met een gestreepte kop en een scherp afgetekende witte keel. Hij broedt in de bossen van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten en is in het gidsgebied een schaarse wintergast in het noorden van Mexico, vooral langs de grens met Texas.

Witkeelgors (Zonotrichia albicollis)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een helder, langgerekt fluitje van enkele zuivere tonen, gevolgd door een reeks drieledige noten, als fie-fie fiedele fiedele fiedele; in de winter soms te horen. De roep is een scherp, metaalachtig tsjink en een fijn tsiet.

Luister: ZangXC1098820

Opname: Ray Cooke — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–18 cm. Groot en vrij lang, met een kegelvormige grijze snavel. Kop met zwarte kruinzijstreep, een smalle lichte middenkruinstreep, een brede wenkbrauwstreep die voor het oog geel is en daarachter wit of okerkleurig, en een zwarte oogstreep. De witte keel is scherp begrensd tegen de grijze borst. Rug warm bruin met zwarte strepen, vleugels met twee smalle witte vleugelstrepen. Er zijn twee kleurvormen: een met een witte en een met een okerbruine wenkbrauwstreep; vogels in de winter en jonge vogels zijn doffer, met een minder scherpe keel en lichte strepen op de borst.

Verwarrings­soorten

De witkruingors Zonotrichia leucophrys heeft geen witte keel en geen gele vlek voor het oog, een roze tot gele snavel en een grijzere borst. De goudkruingors Zonotrichia atricapilla heeft een gele voorkruin en geen witte wenkbrauwstreep. De roodkraaggors Zonotrichia capensis, standvogel in de bergen van het zuiden van Mexico en Midden-Amerika, heeft een roodbruine nekband en een zwarte vlek aan de zijkant van de borst.

Leefgebied

In de winter dicht struikgewas, bosranden, heggen, oeverbegroeiing en tuinen en parken met struiken. Leeft in kleine groepen, vaak samen met andere gorzen, en zoekt zaden en insecten op de grond door met beide poten tegelijk in het blad te krabben.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in de naaldbossen en gemengde bossen van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten. Overwintert in het oosten en zuiden van de Verenigde Staten en zuidelijk tot in het noorden van Mexico. In het gidsgebied vooral in Nuevo León, Tamaulipas en Coahuila, schaarser en onregelmatig in Chihuahua, Sonora en Baja California.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter het best te vinden door in noordoost-Mexico struikranden en tuinen met gorzen af te zoeken; de metaalachtige tsjink-roep verraadt de soort vaak voordat hij zichtbaar is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Zeer talrijk, maar in Noord-Amerika op lange termijn in aantal afgenomen. In het gidsgebied een schaarse wintergast.

Wetenschappelijke naam

Zonotrichia albicollis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla albicollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Zonotrichia is Grieks, van zōnē 'band' en thrix 'haar'. albicollis is Latijn, van albus 'wit' en -collis 'gehalsd' (van collum 'hals'), naar de scherp afgetekende witte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.