Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Witte ibis

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Witte ibis | Eudocimus albus

American White Ibis | Ibis blanco

De witte ibis is een witte ibis met een rood gezicht en een lange, rode, omlaag gebogen snavel. In het gidsgebied is hij een algemene standvogel van mangrove, kustlagunes en zoete moerassen in het laagland, aan beide kusten van Mexico en in heel Midden-Amerika. De vogels foerageren in groepen en vliegen in lange rijen of V-formaties naar gezamenlijke slaapplaatsen.

Witte ibis (Eudocimus albus)
Foto: Terry Foote — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij opvliegen en in vlucht een nasaal, hees hunk-hunk-hunk; bij de kolonie grommende en knorrende geluiden.

Luister: VluchtroepXC898753

Opname: Daniel Parker — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

53–70 cm. Volwassen vogels zijn geheel wit, met zwarte punten aan de buitenste handpennen die vooral in vlucht zichtbaar zijn. Gezicht, snavel en poten zijn rood tot roze; in de broedtijd zijn ze dieprood en is de snavelpunt donker, en de keel kan dan iets opgezwollen zijn. Het oog is lichtblauw. Jonge vogels zijn grijsbruin op kop, hals, rug en vleugels, met een witte buik, onderrug en stuit; de snavel is oranjeroze. In de overgang naar het volwassen kleed zijn ze bont wit en bruin gevlekt. Vliegt met gestrekte hals, met snelle slagen afgewisseld door korte glijvluchten.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse kleine zilverreiger Egretta thula en de grote zilverreiger Ardea alba hebben een spitse, rechte snavel en vliegen met ingetrokken hals; jonge kleine blauwe reigers Egretta caerulea zijn wit met een grijsachtige snavel. De kaalkopooievaar Mycteria americana is veel groter, met een kale, grijze kop en zwarte slagpennen. Jonge vogels kunnen op de zwarte ibis Plegadis falcinellus en de witmaskeribis Plegadis chihi lijken, maar die zijn ook van onderen donker.

Leefgebied

Mangrove, kustlagunes, getijdenslikken, zoutmoerassen en zoete moerassen, ook rijstvelden, natte weilanden, slootkanten en gazons in kustplaatsen; vooral in het laagland. Foerageert lopend en prikt met de snavel in modder en ondiep water naar krabben, rivierkreeften, insecten en andere kleine dieren. Broedt in grote, vaak gemengde kolonies in mangrove en struiken boven het water.

Verspreiding en trek

Aan de Pacifische kant van Baja California Sur en Sonora zuidwaarts, en aan de Golfkant van Tamaulipas over Veracruz en Tabasco tot het schiereiland Yucatán, verder in het laagland van heel Midden-Amerika tot Panama, aan beide kusten; in het binnenland vooral in grote moerasgebieden. Buiten het gidsgebied in het zuidoosten van de Verenigde Staten, op de Grote Antillen en langs de noordkust van Zuid-Amerika tot Venezuela, en aan de Pacifische kant tot in Peru.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In mangrove en kustlagunes vrijwel overal, zoals bij San Blas in Nayarit, Celestún en Ría Lagartos op Yucatán, Crooked Tree in Belize en Palo Verde in Costa Rica. Aan het eind van de middag zijn lange rijen witte ibissen op weg naar hun slaapplaatsen te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied algemeen. Kolonies zijn gevoelig voor verstoring, het kappen van mangrove en het ontwateren van moerassen; plaatselijk wordt op de vogels gejaagd.

Wetenschappelijke naam

Eudocimus albus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax alba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eudocimus werd in 1832 ingevoerd door Wagler. Eudocimus is Grieks, van eudokimos 'roemrijk, gewaardeerd' (eu 'goed' en dokimos 'voortreffelijk'). albus is Latijn voor 'wit', naar het witte verenkleed van de volwassen vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carolina (Verenigde Staten).