Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Zwartkapdwergtiran

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Zwartkapdwergtiran | Myiornis atricapillus

Black-capped Pygmy Tyrant | Mosqueta capirotada

De zwartkapdwergtiran is met ongeveer 7 cm een van de kleinste zangvogels ter wereld: een piepklein tirannetje met een zwarte kap, een witte bril en een vrijwel ontbrekende staart. Hij leeft in de middelste en hogere lagen van vochtig laaglandbos en wordt meestal pas opgemerkt door zijn hoge, insectachtige roep. In het gidsgebied leeft hij in Costa Rica en Panama.

Zwartkapdwergtiran (Myiornis atricapillus)
Foto: Guy Babineau — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoge, ijle, krekelachtige tsiek-tonen, los of in korte reeksen; gemakkelijk aan te zien voor een insect.

Luister: ZangXC1181228

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

7 cm, met een zeer korte staart, zodat de vogel bijna rond oogt. Mannetje met een zwarte kruin, vrouwtje met een donker leigrijze kruin. Teugel en smalle oogring wit, zijkop grijs. Rug helder olijfgroen. Vleugels zwartachtig met gele randen aan dekveren en slagpennen. Keel en borst wit, flanken en buik geel. Snavel kort en smal.

Verwarrings­soorten

De zwartkopschoffelsnavel Todirostrum nigriceps is groter, met een lange, platte snavel, een geheel zwarte kop zonder witte bril en een gele borst. De grijskeelschoffelsnavel Poecilotriccus sylvia heeft een grijze kop, een lange snavel en een grijswitte onderzijde en leeft laag in dicht struikgewas. De schubkuifdwergtiran Lophotriccus pileatus is groter, met een kuif van roestbruin getopte veren en een gestreepte borst.

Leefgebied

Middelste en hogere lagen en randen van vochtig laaglandbos en voetheuvelbos, ook hoog secundair bos en bomen op open plekken aan de bosrand; vooral in het laagland, plaatselijk tot in de voetheuvels. Vangt kleine insecten met korte uitvallen naar bladeren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Caribische kant van Costa Rica en Panama; in Panama ook in het oosten aan de Pacifische kant. Buiten het gidsgebied in het noordwesten van Colombia en het noordwesten van Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Leer de hoge, krekelachtige roep kennen en zoek dan in de bladeren aan de bosrand naar een heel klein, staartloos vogeltje. Het Caribische laagland van Costa Rica, zoals bij La Selva, en de Camino del Oleoducto (Pipeline Road) in Panama zijn geschikte plekken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In geschikt bos vrij algemeen, maar door zijn grootte en leefwijze gemakkelijk over het hoofd te zien; gaat achteruit waar het laaglandbos verdwijnt.

Wetenschappelijke naam

Myiornis atricapillus | (Lawrence, 1875)

Lawrence beschreef de soort in 1875 als Orchilus atricapillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiornis werd in 1901 ingevoerd door Bertoni. Myiornis is Grieks, van muia 'vlieg' en ornis 'vogel': 'vliegvogel', naar het piepkleine formaat. atricapillus is Latijn, van ater 'zwart' en capillus 'hoofdhaar', naar de zwarte kap. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angostura en Talamanca, Costa Rica.