Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Zwartkopzanger
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Zwartkopzanger | Setophaga striata
Blackpoll Warbler | Reinita estriada
De zwartkopzanger is een zanger van het noordelijke naaldbos die een van de langste trektochten van alle zangvogels maakt: in de herfst vliegt een groot deel van de populatie van de oostkust van Noord-Amerika in één ruk over de Atlantische Oceaan naar het noorden van Zuid-Amerika. Het gidsgebied ligt daardoor grotendeels naast de trekroute; hij is er een schaarse doortrekker, het meest in Panama.
Geluid
De zang is een reeks zeer hoge, dunne tsi-noten die in volume aanzwelt en weer wegsterft; in het gidsgebied zelden te horen. De roep is een luid tsjip, de vluchtroep een dun, hoog tsiet.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm. Het mannetje in prachtkleed heeft een zwarte kap, witte wangen, een grijze rug met zwarte strepen, een zwarte baardstreep en witte onderdelen met zwarte strepen op de flanken. Het vrouwtje in het voorjaar is grijsgroen en fijn gestreept, zonder zwarte kap. In herfstkleed, zoals meestal in het gidsgebied: olijfgroen met vage strepen op de rug, een donkere oogstreep, twee witte vleugelstrepen, geelachtige borst met vage strepen op de zijkant, witte onderstaartdekveren en lichte, geelachtige poten en voetzolen.
Verwarringssoorten
De kastanjezanger Setophaga castanea lijkt in herfstkleed sterk op de zwartkopzanger, maar heeft ongestreepte, vaak licht okerkleurige flanken, soms met een zweem kastanjebruin, okerkleurige onderstaartdekveren en donkere poten. Het mannetje van de bonte zanger Mniotilta varia lijkt op een mannetje zwartkopzanger in prachtkleed, maar heeft een zwart-wit gestreepte kruin, een zwarte wang en kruipt langs stammen en takken.
Leefgebied
Op doortrek bosranden, secundair bos, mangrove, parken en tuinen met hoge bomen, vooral in het laagland langs de kust. Zoekt vrij hoog in de bomen naar insecten en eet op doortrek ook bessen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het noordelijke naaldbos van Alaska en Canada tot in het noordoosten van de Verenigde Staten. Overwintert in het noorden en westen van het Amazonebekken en aan de oostkant van de Andes. In het gidsgebied schaars in Panama en langs de Caribische kust van Midden-Amerika, verder zeldzaam; in Mexico zeldzaam, met waarnemingen vooral in het oosten en op het schiereiland Yucatán.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De meeste kans is in oktober en november in Panama, met name in bosranden en tuinen langs het Panamakanaal en aan de Caribische kust, waar hij soms tussen andere trekkende zangers zit.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT). De populatie is groot, maar volgens langlopende tellingen in Noord-Amerika in enkele decennia sterk afgenomen; als mogelijke oorzaken gelden verlies van broed- en overwinteringsgebied en de risico's van de lange trek over zee.
Wetenschappelijke naam
Setophaga striata | (Forster, 1772)
Forster beschreef de soort in 1772 als Muscicapa striata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. striata is Latijn voor 'gestreept', naar het streepjespatroon van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Fort Severn aan de Hudsonbaai.




