Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Afrikaanse gaper

Afrikaanse gaper | Anastomus lamelligerus

African Openbill | Picotenaza africano

Een donkere Afrikaanse ooievaar met een opvallende opening tussen de snavelhelften, waarmee hij slakken en mosselen vastklemt. In het gidsgebied is hij een dwaalgast, alleen bekend van het Arabische zuidwesten, waar sinds 2021 een kleine groep verblijft bij het stuwmeer van Wadi Jizan.

Afrikaanse gaper (Anastomus lamelligerus)
Foto: Bernard Gagnon — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. In de kolonie een schor, raspend kwah-kwah en gekraak; het paar klappert zachtjes met de snavel.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Geheel donker bruinzwart, bij goed licht met groene en paarse glans; op hals, mantel en borst lopen de veren uit in smalle, glanzende, hoornachtige stroken die de vogel een ruig, geschubd uiterlijk geven. De dikke, grijze tot hoornkleurige snavel sluit alleen aan de punt, zodat er een duidelijke opening tussen onder- en bovensnavel zit; bij jonge vogels ontbreekt die nog grotendeels. Teugel grijs, poten zwart tot donkergrijs. Jonge vogels zijn doffer bruin, zonder glans. In de vlucht een compacte, geheel donkere ooievaar met gestrekte hals; zweeft veel in thermiek.

Verwarrings­soorten

De zwarte ooievaar (Ciconia nigra) en de Abdims ooievaar (Ciconia abdimii) hebben beide een witte buik; de zwarte ooievaar heeft bovendien een rode snavel, de Abdims ooievaar een witte onderrug. De zwarte ibis (Plegadis falcinellus) is kleiner, slanker en heeft een lange, dunne, gebogen snavel. Jonge gapers zonder snavelopening zijn het lastigst, maar de zware, rechte snavel en de geheel donkere onderdelen helpen.

Leefgebied

Ondiepe zoetwatermeren, stuwmeren, moerassen, rijstvelden en overstroomde oevers met veel water- en appelslakken en zoetwatermosselen. Foerageert stappend door ondiep water of over drijvende vegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen vastgesteld in het zuidwesten van Saoedi-Arabië: op 3 september 2021 werd een paar ontdekt bij het stuwmeer van Wadi Jizan (Malaki-dam), de eerste waarneming voor het land. In de zomer van 2022 waren daar tot 18 vogels; daarna bleven er één of twee hangen, met waarnemingen tot in 2024. Gezien de ligging tegenover de Hoorn van Afrika zijn vondsten in de Jemenitische Tihama te verwachten. Daarbuiten wijdverbreid in Afrika ten zuiden van de Sahara, van de Sahel tot Noordoost-Zuid-Afrika en Madagaskar, met trek die de regens volgt.

Hoe en wanneer kijken

Zoek op de ondiepe randen van het stuwmeer van Wadi Jizan (Malaki-dam), waar de vogels in de jaren na 2021 werden gezien tussen reigers en ooievaars. Let bij elke donkere ooievaar in Zuidwest-Arabië op de geheel donkere buik.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika algemeen. De Arabische vogels zijn dwalers uit de populaties van Oost-Afrika; of zich in Zuidwest-Arabië een blijvende populatie vestigt, is nog onzeker.

Wetenschappelijke naam

Anastomus lamelligerus | Temminck, 1823

Temminck beschreef de soort in 1823 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anastomus werd in 1791 ingevoerd door Bonnaterre. Anastomus komt van het Griekse anastomoō, 'van een opening voorzien' — naar de gapende snavel waarvan de snavelhelften alleen bij de punt sluiten. lamelligerus komt van het Latijnse lamella, 'plaatje', en -gerus, 'dragend' — naar de glanzende, hoornachtige plaatjes aan de uiteinden van de veren van hals en buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.