Alle soorten › Genten en aalscholvers › Genten › Jan-van-gent
Jan-van-gent | Morus bassanus
Northern Gannet | Alcatraz atlántico
De grootste zeevogel van de Noord-Atlantische Oceaan, een sigaarvormige stootduiker die zich met ingevouwen vleugels van grote hoogte in zee laat vallen. Hij broedt ver buiten het gidsgebied, maar elke winter trekken duizenden, vooral jonge vogels, langs de Marokkaanse kust naar het zuiden; in de Middellandse Zee wordt hij oostwaarts steeds schaarser.
Geluid
In het gidsgebied vrijwel altijd stil. In de kolonie en bij voedselconcentraties een hard, raspend arrah-arrah.
Opname: Christian Kerihuel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot en slank, met een lange, spitse snavel, een spitse staart en lange, smalle vleugels: in vlucht een kruis met vier punten. De volwassen vogel is helder wit met scherp afgetekende zwarte handpennen, een okergele kop en hals, een blauwgrijze snavel en een lichtblauw oog in een zwart naakt gezichtsveld. Jonge vogels zijn het eerste jaar donker grijsbruin met fijne witte stippels; daarna worden ze in vier jaar trapsgewijs witter, eerst op kop en buik, met een bont geblokt zwart-wit vleugelpatroon. Vliegt met stijve, krachtige slagen afgewisseld met glijvluchten, vaak in lange rijen laag boven de golven.
Verwarringssoorten
De Kaapse jan-van-gent (Morus capensis), in het gebied een uiterste dwaalgast, heeft een geheel zwarte staart, zwarte armpennen en een veel langere zwarte keelstreep. De maskergent (Sula dactylatra) is kleiner met een witte kop, een zwart masker en ook zwarte armpennen en staart; de soorten komen in het gebied nauwelijks samen voor. Donkere jonge vogels kunnen op afstand lijken op de Scopoli's pijlstormvogel (Calonectris diomedea) of de grote jager (Stercorarius skua), maar zijn veel groter, met een lange puntige snavel en een puntige staart.
Leefgebied
Open zee boven het continentaal plat, vaak binnen enkele kilometers van de kust, en grote baaien en zeestraten. Volgt scholen sardines, makreel en ansjovis en jaagt vaak in groepen, ook achter vissersboten. Rust op het water; komt alleen aan land als hij uitgeput of ziek is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Marokko: algemene wintergast en doortrekker langs de hele Atlantische kust, van Tanger via Essaouira en Agadir tot de Westelijke Sahara bij Dakhla; jonge vogels trekken verder naar Mauritanië en Senegal. Ook in de Straat van Gibraltar en langs de Marokkaanse Middellandse Zeekust. Algerije en Tunesië: regelmatige wintergast in kleinere aantallen, onder meer in de Golf van Tunis, rond Kaap Bon en in de Golf van Gabès. Libië: schaars, tot in de Golf van Sirte. Israël: sinds de jaren negentig een kleine maar regelmatige wintergast voor de Middellandse Zeekust; in Libanon, Syrië en aan de Egyptische Middellandse Zeekust zeldzaam. In de Rode Zee een dwaalgast, met waarnemingen bij El Gouna in Egypte in 2013 en 2014. Broedt in de Noord-Atlantische Oceaan, van Canada en IJsland tot Noorwegen, de Britse Eilanden en Bretagne.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zeetrektellen vanaf een kaap aan de Marokkaanse Atlantische kust, zoals Cap Ghir, Cap Sim bij Essaouira of Cap Spartel bij Tanger, levert van november tot maart vaak tientallen tot honderden vogels op, vooral bij westenwind. In het oosten van het gebied loont het om in de winter vanaf de pieren van Haifa of Tel Aviv de zee af te zoeken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de populatie groeide decennialang, maar de vogelgriep van 2022 doodde tienduizenden broedvogels in vrijwel alle kolonies. In het gidsgebied bedreigen vooral bijvangst in vistuig, olievervuiling en overbevissing van kleine scholvis de overwinterende vogels.
Wetenschappelijke naam
Morus bassanus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Pelecanus Bassanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Morus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Morus gaat terug op het Griekse mōros 'dwaas, dom': vroege reizigers merkten op dat genten en jan-van-genten zich op de broedplaats zonder schuwheid lieten naderen en doden. bassanus betekent 'van Bass Rock', de rots in de Firth of Forth die een van de grootste kolonies draagt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bass Rock in Schotland.

